Verstilling in tijden van corona

Corona is de naam die sterrenkijkers hebben gegeven aan de gasvormige gloed rond de zon. Een cirkel, een kroon van licht. Momenteel trekt zich om de aarde een andere cirkel rond. Het coronavirus dat de wereldbol kroont laat zich op microscopisch niveau kenmerken door de puntige uitlopers aan de buitenkant van de virusdeeltjes, vandaar de naam die het virus gekregen heeft. De toorn van het koninklijke gezelschap vertaalt zich op moment van schrijven in honderdduizenden besmettingen en meer dan tienduizend sterfgevallen wereldwijd. En het einde is nog lang niet in zicht.

De paniek is in volle zwang. Overheden nemen verregaande maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan dan wel beheersbaar te maken. Als gevolg gaan landen en continenten formeel en informeel in lockdown; scholen, kinderdagverblijven, universiteiten, restaurants, cafés, gebedsplaatsen en winkels zijn grotendeels gesloten, burgers worden gedwongen of opgeroepen elkaar te vermijden en zoveel mogelijk thuis te blijven en openbaar vervoerbedrijven beperken hun diensten. Het publieke leven ligt plat.

In heel Nederland is een soort prehistorische rust teruggekeerd op straat. Als een kalmte voor een storm die uitblijft. Er is weinig interactie tussen mensen. Er is weinig verkeer op straat. Lege spooktreinen passeren elkaar op de sporen. De vogels fluiten. In de stad merk je de stilte nog het snelst op. Hoewel hier en daar het geluid van een bromfiets, een vrachtwagen, een toeterende bus of hardlopende stellen te horen is, is het in vergelijking met pre-apocalyptische tijden aanzienlijk stiller en kalmer buiten.

Pandemische tijden als deze, waar een nieuw hoofdstuk geschreven en toegevoegd wordt aan de collectieve wereldgeschiedenis, doen denken aan  eerdere – al dan niet fictieve – verhalen en beschrijvingen van bedreigd individueel en/of maatschappelijk welzijn. In Gabriel Garcia Marquez’ monumentale Liefde in tijden van cholera volgen we de onmogelijke, decennialange, romance tussen een man en een vrouw die wat betreft infectueuze hardnekkigheid niet onderdoet voor de gevolgen van de choleraepidemie die zich op de achtergrond voltrekt. Isolatie en verlangen in alleenheid zijn thema’s die voorbij komen. Het is een boek om langere tijd in te verdwalen. Philip Roths Nemesis is directer in zijn beschrijving van de gevolgen die een virusepidemie in een gemeenschap en voor een individu kan hebben. Een sterk relaas over de kracht van de natuur, van zowel mens als virus, en het isolement en de desillusie van een individu getroffen door een ernstige ziekte. In Laszlo Krasznahorkai’s duistere Satantango kan men de nasleep zien van een ander soort epidemie. Het beschrijft de ontreddering, eenzaamheid en desolatie in een gemeenschap ogenschijnlijk gedraineerd door totalitaire systematische onderdrukking en uitbuiting, diens populatie kwetsbaar gemaakt voor de demonen van de nacht.

Er wordt veel gesproken en geschreven over de eenzaamheid die ons kan treffen in tijden van corona. De notulisten van epidemieën tekenen het sociale isolement op van de individuen die er onder gebukt gaan. Zo ook de schrijvers van de verhalen die ik aanhaalde. Noodgedwongen quarantaines – formeel dan wel symbolisch – isoleren personen, gezinnen, kleine gemeenschappen. En isolatie kan leiden tot eenzaamheid en verstilling, wanneer de fysieke bewegingsvrijheid beperkt is.

Echter, ik neem in die verstilling ook juist vrijheid waar. Het lijkt alsof het ruimte geeft voor vrijere geestelijke beweging, met een vrijere loop van gedachten. Een onbeperktheid in het denken en voelen, minder gehinderd door de trek en ruis van het alledaagse dat buiten tijden van corona een beroep op ons doet. Door die onttrekking aan sociale participatie voelt een mens zich mogelijk minder een instrument en speelbal van de maatschappelijke mallemolen – het moeten naleven van noodmaatregelen daargelaten – en een vrijer verlangend en bedrijvig wezen in dienst van zichzelf. Het individu wordt weer het beginpunt van het zijn en is even wat minder een schaakstuk in een complex netwerk van actoren met onderlinge afhankelijkheden en verantwoordelijkheden. Sociale onthouding als voorwaarde voor een autonomer kunnen willen en voelen, minder onthecht en afgeleid van het zelf. Het geeft het individu de ruimte stil te staan bij en te reflecteren op de eigen verlangens, behoeften en plannen. En dat geeft vervulling.

De nagenoeg lege stationshallen, verlaten bedrijfspanden, kalme supermarkten – alle zijn indicatief voor een gemeenschap in rust. Hoewel de vogels kwetteren in de bossen en parken, waar kinderen spelen en wandelaars slenteren, is het buitenleven trager en stiller geworden. Ontzield bijna. Een collectief naar binnen keren lijkt gaande. Mensen zijn meer alleen met hun gedachten, meer alleen met hun verhalen. Het is de kunst om in tijden van angst en onzekerheid van de nood een deugd te maken. Geef het vrijgemaakte hoofd de ruimte. Lees een boek, overpeins je verlangens, voel je emoties. Hier, de stilte als kroon op de geest, even vrij van de infectie van de alledaagse ruis van een wereld altijd maar in beweging.

Doorgaan met het lezen van “Verstilling in tijden van corona”

Interferentie_2

Het uit Sheffield afkomstige 65daysofstatic bracht onlangs een nieuw muzikaal meesterwerk uit, getiteld Replicr, 2019. Een van de absolute highlights van dit album is het nummer Interference_1. Waartoe de underscore en de ‘1’ dienen weet ik niet. Misschien was het bij de eerste jam meteen raak en lieten ze het zo. Of er is een meer romantische verklaring voor de curieuze toevoeging van ‘_1’. In ieder geval neemt het muziekstuk, net als de rest van de bijeengebrachte composities op het album, de luisteraar mee in een digitale en elektronische soundscape, waar de gelaagdheid en vermenging van muzikale kleuren bedwelmend werken op de gewillige geest.

Ik wilde verder nadenken over de titel. In de natuurkunde wordt interferentie gedefinieerd als het samenwerken of tegen elkaar in gaan van golven, op hetzelfde moment en op dezelfde plaats. Dat kunnen bijvoorbeeld geluidsgolven, watergolven en elektromagnetische golven zijn. Golven kunnen in fase of in tegenfase zijn en elkaar respectievelijk versterken dan wel uitdoven en van alles daar tussenin doen. Ik neem aan dat de door 65days gebezigde interferentie betrekking heeft op elkaar versterkende of tegen elkaar ingaande geluidsgolven, die de composities kleur geven. Hoewel het wellicht een grote stap is van de analyse van interfererende geluidsgolven naar een meer metafysische beschouwing van interferentiepatronen in het heelal kon ik niet anders dan in de kalme – hier en daar ruizige – opbouw van het nummer een analogie te trekken met de kalme doch ruizige voltrekkingen van gebeurtenissen op universele schaal. De eerste paar minuten van Interference_1 is er sprake van een relatief egaal geluidenpalet dat plots onderbroken wordt – of liever gezegd een extra laag krijgt – door tonen van een andere intensiteit en frequentie. Een interferentie. Ik zag daarin het kalme voortploegen van een onverstoorbaar universum dat plots een kleine maar significante opschudding voelt in haar onderbuik, de aanwezigheid van een ontwikkeling, van een beschaving in wording maar ook de uiteindelijke neergang van die beschaving.

Hoewel het een vluchtige, niet door rede of wiskundige analyse maar door emotie ingegeven, symbolische, fantasie was, bleef er iets hangen in mijn gedachten van het gegeven dat overal in de natuur, op welke schaal dan ook, interferentiepatronen te vinden zijn. Zou je de ontwikkeling en onvermijdelijke ondergang van de mensheid in een afwisselend stil en ruizig universum inderdaad niet ook kunnen zien als een kleine interferentie? Een tegen de heersende golving van alles wat suist in het heelal ingaande storing. Op zichzelf betekenisloos wellicht, op die schaal, in de onverschilligheid van de duisternis om ons heen, maar een storing niettemin. Is immers niet alles wat tastbaar, wezenlijk, direct is het resultaat van een of meerdere interferentiepatronen van verschillende soorten golven? Zo ook in een mensenleven, waar het een en al ruis en interferentie is. Zowel fysiek, concreet, als meer abstract. Slecht opgestelde geluidsbronnen verschillen in fase waardoor de muziek uitgedoofd wordt. Mensen botsen, werken samen, versterken of verzwakken elkaar. Ideeën botsen, werken samen, versterken of verzwakken elkaar. Metafysische wil in versterking of botsing met zichzelf. In cycli, want wat is het leven meer dan naast elkaar bestaande en soms deels overlappende cycli van zichzelf herhalende gebeurtenissen, van zichzelf herhalende interferentiepatronen? De levenslopen van de muizen achter mijn fornuis, met hun gebroed en stank, overlappen met die van mij en mijn kinderen maar zijn van kortere duur. De levensloop van een gemiddelde Afrikaanse dwergpapegaai is doorgaans korter dan die van een mens terwijl de levenslopen van opeenvolgende ontwikkelingen en neergangen van beschavingen – van duizelingwekkende aantallen mensenlevens – nog altijd korter is dan het bestaan van het heelal dat zij verkennen.

Misschien zal het universum wel nooit eindigen en is het slechts een heel groot vat waarin interferenties van verschillende schaalgroottes in de oneindigheid komen en gaan. De vraag rijst dan voor ons wat betekenis geeft in een mensenleven, in de relatieve betekenisloosheid van ons collectieve bestaan, in het licht van de grotere overkoepelende structuren en gebeurtenissen. De Duitse psychoanalyticus Carl Jung schreeft ergens dat, voorzover wij kunnen afleiden, het enige doel van het menselijk bestaan is om een licht van betekenis aan te wakkeren in de duisternis van het ordinaire zijn. Maar wat geeft ons dan betekenis? Voor mij is dat onder andere muziek luisteren. Muziek voelen. Muziek die me in vervoering brengt en me doet schudden op mijn grondvesten. Muziek die mijn gedachten over het bestaan en mijn bestaansrecht doen aanwakkeren. Muziek die me doet denken aan de levensloop van mijn kinderen. Met hun tweeën het meest ingrijpende en betekenisvolle interferentiepatroon van allemaal.

Synthese

Tijdens zijn leven werd de Argentijnse auteur Jorge Luis Borges vereerd, gehaat en genegeerd. Ongeacht de persoonlijke voorkeuren van de man, voor zover bekend en vastgelegd, kan men stellen dat er over zijn literaire nalatenschap in vele kleurtonen veel te doen is geweest.

Neem bijvoorbeeld één van zijn meer bekende verhalen: De Bibliotheek van Babel. Het is een fantastisch verhaal, in iedere betekenis van dat woord, fantastisch. De bibliotheek, als metafoor voor het heelal, blijkt een archief aan verschillende geschiedenissen en werkelijkheden te herbergen. De argeloze lezer wordt geconfronteerd met een reeks aan variërende realiteiten en waarheden, die als een warme gloed uit de diepte, door het midden van de imaginaire bibliotheek, omhoog rijst en zijn weg zoekt naar het hart van de kilte van ons universum. De precieze, wiskundige begrenzing van de vorm van de bibliotheek en diens boekenplanken en hun inhoud – de boeken bevatten een precies aantal letterkundige symbolen die in alle mogelijke combinaties zijn weergegeven in verschillende uitgaven – samen met het gegeven dat de bibliotheek zelf oneindig lijkt, roept beelden op van het idee van de eeuwige wederkeer. Dit idee is voorheen in vele hoedanigheden beschreven, onder andere door de 19e-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche. Het concept van de eeuwige wederkeer is dat wanneer oneindige tijd maar een eindige set zichzelf continu herschikkende elementen waaruit organismen, gedrag, omstandigheden, gebeurtenissen, symbolen, verhalen (kortom: alles) bestaan gegeven zijn, alles wat ooit is geweest weer voorbij zal komen. In het nadenken daarover kan men beseffen dat verschillende versies van de werkelijkheid op ieder moment simultaan beschikbaar zijn om uitgespeeld te worden, en dat die zich uiteindelijk allemaal zullen herhalen. Een soortgelijke realisatie kan de lezer hebben op de groene paden van Borges’ geroemde Tuin met Zich Splitsende Paden, waar meerdere gebeurtenissen, donker of licht, luid of stil, lang of kort, zich hadden kunnen afwikkelen. De haast onmogelijk lijkende mogelijkheid van het uiteindelijke plot ontleent zijn geloofwaardigheid aan juist die premisse van de eeuwige wederkeer, waar meerdere werkelijkheden zich hadden kunnen afspelen en het verhaal bijna iedere mogelijke wending uit de verbeelding had kunnen nemen. In het verhaal verlicht het donker van de gestorven zon die realiteit, wanneer het onzichtbare gekrioel van wat had kunnen zijn zichtbaar wordt voor de hoofdpersoon.

Wanneer oneindige tijd maar een begrensd aantal bouwstenen gegeven zijn, is herhaling van zetten absoluut. Maar of het idee van de eeuwige wederkeer natuurwetenschappelijk houdbaar is valt te betwisten. Het lijkt uit te gaan van een conserveerbare set van bouwstenen of energieën die zich placht te herhalen, terwijl men zich kan afvragen of in een ondoorgrondelijk universum als het onze een dergelijke inflexibiliteit wel reëel is. Is het niet, zoals eerder opgemerkt, een komen en gaan van stoffen, door de tijd heen, dat exacte replicatie van werkelijkheden kan bemoeilijken?

Of het aantal bouwstenen in ons universum nou vast ligt of niet, we weten dat werkelijkheden subtiele verschillen kunnen laten zien en anders aanvoelen, ondanks overeenkomstige en overeenkomstig gerangschikte elementen. En hoewel er wel degelijk een herhaling van gebeurtenissen denkbaar is kunnen die in kleine nuances verschillen van die uit het verleden en daarmee tegelijkertijd bekend en nieuw aanvoelen. Dit laatste is evident in een ander Borgesverhaal, Pierre Menard, Auteur van de Quichot, waar de beleving van hetzelfde kunstwerk door de tijd heen veranderlijk blijkt. De waardering en betekenis van een kunstwerk, hetzij een schilderij, hetzij een verhaal in boekvorm, zijn afhankelijk van de context en wellicht ook het collectieve bewustzijn van een volk in een bepaald moment in de tijd of geschiedenis waarin het kunstwerk beleeft wordt. De Quichot kan een totaal andere significantie of betekenis hebben in het heden dan in de tijd waarin het eerst uitgegeven is, ook al is het boek letter voor letter hetzelfde. De context en achtergrond die het betekenis geven zijn veranderlijk. En samen met het werk zelf onderdeel en variant van een kneedbare werkelijkheid. Of dat nu het resultaat is van een reorganisatie van bestaande of deels bestaande, deels nieuwe elementen is wellicht irrelevant.

Die kneedbare en veranderlijke werkelijkheid kan gevoelens van stabiliteit en zekerheid, die wij mensen zo belangrijk lijken te vinden, ondermijnen. Voorbeelden daarvan zijn naast de literatuur ook in de muziekkunst te vinden. Neem bijvoorbeeld de uit Rochdale (nabij Manchester) afkomstige muziekgroep Autechre, die zich hoofdzakelijk manifesteert in het cultgevolg dat het aantrekt. Ik stel me anonieme geesten in zolderkamertjes voor die het dissonante maar warme mechanische kleurenpalet van dit Britse elektronische experiment ontleden, weer assembleren, terugzetten en eindeloos herbeleven, waarschijnlijk iedere keer net anders dan de keer ervoor. Zelden berust een nummer van dit duo op een gangbare of toegankelijke ritmische basis die de luisteraar binnentrekt. Het is instabiele grond waarop de luisteraar wordt verleid dieper te luisteren. Naar de warmte achter de instabiliteit. En daar de basis te vinden. Voor zolang die duurt. Want iedere luisteraar moet zich op een bepaald moment tijdens het luisteren en zoeken naar vaste grond verraden hebben gevoeld toen de realiteit die tot voor kort enige zekerheid bood ophield te bestaan, wanneer het ritme en de melodie weer van verzadiging of diepte veranderden en de luisteraar genoodzaakt werd opnieuw naar zekering te zoeken.

De enige waarheid die beklijft in het werk van Autechre en Borges is dat de werkelijkheid veelzijdig en flexibel is. Alles verandert continu maar die veranderlijke aard van de dingen is voor mensen lastig. Mensen lijken stabiliteit en zekerheid te zoeken en daarmee ook de eigen vaste waarheid en realiteit. Om het zelf ergens aan te verbinden. En daarmee wellicht ook wel de rechtvaardiging van het eigen bestaan te veroorzaken. Want wie stabiliteit en zekerheid vindt kan zichzelf aarden en de gronden van zijn of haar bestaan claimen. Maar hoe stabiel en zeker kan iets zijn, in de duisternis van een onverschillig maar suggestibel universum, die meerdere waarheden en werkelijkheden omvat, waar datgene wat men niet ontwaart, maakt of beleeft het enige tastbare is, omdat dat altijd blijft, als enige constante? Waar die vereenzelviging van de huidige werkelijkheid met de veelheid aan mogelijkheden van datgene wat niet waargenomen, gemaakt of ervaren wordt misschien wel één van de basisvoorwaarden is voor al onze uitingen. Het gegeven van een onuitputtelijke en ondoorzichtige bron van alternatieven als basis voor onze blinde, schopenhaueriaanse wil tot leven. Het leven dat wil kruipen waar het zomerrood van een andere onbekende en onvoorspelbare realiteit lonkt. Het leven waarin iedere werkelijkheid de vluchtige vorm van veranderlijkheid heeft, juist vanwege de simultaan aanwezige subtiel en minder subtiel verschillende alternatieve versies ervan? De werkelijkheid die daardoor totaal overbodig wordt om na te jagen. Omdat hij op zichzelf niet bestaat, hoe kleurrijk ook.

Onrust

Op mijn nachtkastje ligt al enige tijd Het Boek der Rusteloosheid, van de postuum bekend geworden Portugese dichter Fernando Pessoa. Het boek is een bundeling van prozateksten, geschreven over een periode van vele jaren, die na het overlijden van de auteur aangetroffen werden in een vergeten kist. Ze beschrijven het bestaan van Bernardo Soares, het alter ego van de auteur, een eenzame klerk in Lissabon die zijn tijd verdeelt tussen het kantoor waar hij werkt en zijn appartement. Beide zijn aan de Rua dos Douradores, centraal gelegen in de winkelwijk Baixa.

Terwijl Soares zijn dagen slijt onder de tirannie van zijn baas nemen zijn gedachten de vrije loop, zijn geest daarbij ontvlamd door onrust. Met zijn op dichterlijke wijze neergepende observaties voert Pessoa zijn lezers door de straten van Lissabon en zijn eigen hoofd. Hoewel melancholie en wanhoop de pagina’s kleuren, wordt ook de romantiek van zijn belevingswereld duidelijk, evenals zijn liefde voor de stad die hij zelden verliet. De stad waar hij zijn onrust liet zwerven over de straatstenen en door de huizen, taveernes en kantoorruimtes.

In een mensenleven kan het noodzakelijke haast niet zonder het vrije of vrijwillige bestaan. Die vrijheid van gedachten waarover de meesten van ons kunnen beschikken. Althans, die relatieve vrijheid, want of de samenlevende, werkende, scheppende en vernietigende mens werkelijk vrij is in zijn wilsuitingen en gedachten valt te betwisten. Dostojevski schreef in Aantekeningen uit het Dodenhuis dat een mens volledig te vernietigen is door hem werk te geven van een volstrekt nutteloos en irrationeel karakter. Echter, het was Dostojevski zijn eigen verbeeldingskracht dat hem, geketend in een Siberisch werkkamp, op de been hield. Soares sleept zich dagelijks naar kantoor om gebogen over getallen te lijden aan de noodzakelijkheid en leegte van zijn werkzaamheden. Maar zijn hoofd is in beweging, met op hol geslagen verbeeldingskracht, hoe melancholisch ook, die soelaas biedt – die zijn onrust voedt maar tegelijkertijd ook zijn relatieve vrijheid benadrukt. Die vrijheid van gedachten die ons in staat stelt te kunnen dissociëren van wat wij niet willen weten of voelen. Wat er niet moet zijn.

Al langere tijd haal ik geen inspiratie meer uit het project waar ik mijzelf aan verbonden heb. Ik zou natuurlijk het roer om kunnen gooien en wat anders kunnen gaan doen maar weerhoud mijzelf daar toch van. Dat is niet uit ijdelheid of misplaatste discipline. De reden is – denk ik – dat staken met een onderneming, zonder het tot een goed einde te brengen, een beetje voelt als voortijdig sterven, vanwege de wezenlijke geestelijke en emotionele investering die er mee gemoeid is geweest om tot hier te komen. Het zou de tijd en frustratie die het tot nu toe gekost heeft waardeloos maken. En daar wil ik niet aan, hoezeer dat mij ook ketent.

Wie vandaag de dag door de Rua dos Douradoures wandelt, of door de kronkelstraatjes van Alfama, de wijk beroemd vanwege de fadogeschiedenis die het huisvest, ziet de verf afbladeren van de muren van eeuwenoude gebouwen waarachter het leven vloeit en bloeit. Muren die amateuristisch roze, groen, rood of blauw zijn geverfd, in de felheid van kleur die alleen maar in Mediterrane of Latijns-Amerikaanse streken geaccepteerd wordt. Hier spat de literatuur van de wanden en ramen, die vibreren met de verhalen van drama en vreugde die deze stad rijk moet zijn. In een poging de hordes toeristen te omzeilen slenter ik door de aanvankelijk minst aantrekkelijk uitziende steegjes, in de hoop te stuiten op juweeltjes van sfeer en authenticiteit die even alleen voor mij zijn. Met geluk kan men zo de Largo da Severa treffen, een pittoresk pleintje omringd door gammele gebouwtjes met uitgehangen was over balkonnetjes en waslijnen. Het plein is vernoemd naar Maria Severa Onofriana, de legendarische 19e-eeuwse fadozangeres. Op de muren zijn foto’s afgebeeld van zowel overleden als nog levende fadobeoefenaars. Ogenblikkelijk is duidelijk dat dit het hart van de Fado en daarom misschien wel van Lissabon is. Ingeklemd tussen de grote wegen waar vrachtwagens, bussen, auto’s en trams razen, is het plein een oase van rust, waar je de kleur en emotie van leven kan overdenken en voelen.

De stad die de thuisbasis was voor het gekwelde en getalenteerde hoofd van Pessoa is voor mij een stad van verbeelding, waar mijn hoofd kan doorwaaien en niet hoeft te denken aan iets dat moet. Waar ik vervreemd en onafhankelijk van een omgeving die mijn blauwdruk niet heeft kan schuimen – ongeremd doordat de vertrouwde context ontbreekt. Een omgeving die ik mij eigen wil maken, zodat ik er tijdelijk kan aarden en ontsnappen aan de onrust waar ik thuis nog geen plek voor gevonden heb, diezelfde onrust die Pessoa liet dissociëren boven zijn register en waarmee hij vocht tegen de nutteloosheid van zijn taak, in het licht van het besef van wat een mens allemaal verder nog is, behalve een werktuig.

Gelukkig heb ik ook thuis altijd nog mijn gedachten.

Die tot op zekere hoogte vrij zijn.