Lola zwemt

De vlinders zijn al lang en breed vertrokken wanneer Lola langs de kale bomen met dode dwarrelende bladeren loopt en door een opening die het afwezige bladerdek toelaat de dunne grijze lucht ziet die de hoop op zomer doet groeien. Ze wil in de winter, door de winter, voorbij de winter, waar de herinneringen dubbel tellen.

Met Ocean Vuong’s On earth we’re briefly gorgeous vers achter de ogen, de vlinders op de kaft in haar hart, walst ze door het natte winterbos. Ze danst met de liefde van haar leven, de liefde die een jaar geleden vertrok, en ze voelt dat de tijdelijkheid van zijn aanwezigheid voor altijd verankerd ligt in een porie van haar huid. Ze kan verder, de zwaarte van het bestaan verlicht door het besef dat niemand ooit echt verdwijnt, wanneer het de eigen geest is die de beleving aan een persoon voortbrengt. Ultiem intiem en in bezit.

Lola alleen in de winter voelt de wind de rivier van richting veranderen en ze zwemt mee langs de ongelijke oevers. Even weg van het appartement in Overvecht, waar het verdriet zo lang op de loer lag, onder dekens, naast de koelkast, bij de voordeur. Lola duikt en zwemt, maakt meters in de weerzin van haar hoofd en wil uitkomen aan de andere kant van het water, waar de oever laag is, of het water hoog.

De waarachtigheid van een land in lockdown voedt de rust in haar hoofd en doet de gedachten fonkelen. Er is reliëf, er zijn uitschieters, de flitsen zijn beter te onderscheiden. Ze schrijft en ze denkt, in wisselende volgorde, en ze lacht en ze geeuwt. De zolderkamer een panopticon van inzicht en vrijheid. Ze rust en ze slaapt, waakt alert maar minder bezwaard.

De lantaarnpaal langs de Kardinaal de Jongweg staat scheef en fier. Hij valt niet om, het incassovermogen intact. Lola fietst langs de greppel, weg van het Noorden, op naar het Oosten, waar de zon gaat schijnen wanneer ze er aankomt. Ze ligt in het park aan het water, even weg van waar in de zomer de zwanen lopen. Ze berust in de eindigheid van de oude dingen en het plotselinge zijn van de nieuwe. Ze berust in de daad van het stoffelijke afscheid en preserveert het geestelijke. Ze slaapt in de warme winterkou en glimlacht naar een hemel waar ze niet in gelooft.

Het is bijna tijd voor de zomer. Eerst die rottige lente nog door, die belofte van een toekomst, een toekomst die jeukt en maar niet komt tot je er doorheen bent.

Fictie

Het verlaten, druilerige strand wordt overspoeld door het doffe licht van de ondergaande zon die achter achter wolken en mist verdwijnt. De regen kietelt de viscose zilveren waterpoeltjes in het zand waar de zee zich al heeft teruggetrokken. De egaal grijze vlakte, waar strand en zee in elkaar over gaan, is het toneel van alles dat vertrekt, afgezien van de paar bootjes die op veilige onderlinge sociale afstand voor anker liggen. In de verte, in de richting van waar het andere eiland moet liggen, is enkel de lichtgrijze deken van de slagregens te zien, het perspectief op het baken van licht, de vuurtoren op de heuvel, volledig grauw.

Tobias hangt in zijn stoel en kijkt van achter zijn tafeltje voor zich uit, naar de begrenzing van het zicht. Hij schrijft in zijn boekje, met zwarte fineliner, de verhalen op die ontspringen in zijn hoofd, in zijn herinnering, in zijn directe omgeving. Af en toe kijkt hij voor langere tijd op van zijn tekst, tuurt hij naar de grijze horizon en overdenkt het afgelopen anderhalf jaar. De tijd waarin de mensheid plots belaagd werd door een moeilijk te definiëren en te temmen vijand. Hij denkt aan de collectieve onzekerheid en angst die slopen en kropen door de kieren en scheuren van het podium waarop wij onze verhalen leven. De pandemie van angst die van binnenuit de rationaliteit van onze welvaart ondermijnde. De sluizen gingen open en de verhalen stroomden de gemeenschappelijke arena binnen. Alternatieve feiten, achterdocht en openlijk wantrouwen van gezag domineerden het discours, waarbij iedereen zich vastklampte aan de eigen intuïtieve waarheid. Er werden alternatieve verklaringen uitgedragen voor de aard en oorzaak van de pandemie evenals innovatieve en uiteenlopende theorieën over de bestrijding ervan. De vermenging van feit en fictie als gevolg van het publieke debat over het goede en het kwade bracht ons een nieuwe werkelijkheid. Één waarin dat wat je gelooft waar is en al het andere een aanval op het zelf is.


Hij ziet een gezelschap naast hem. Ziet hoe een vrouw, zestiger, en een stel, vijftigers, ongemakkelijk voorzichtig kennis maken na met elkaar in gesprek te zijn geraakt vanaf naburige tafeltjes en stoelen. Hij ziet drie mensen die zoeken naar een verhaal, een gemeenschappelijkheid in een verhaal, om zich mee aan elkaar te verbinden. De enkele vrouw is een klok-en-klepel-klager die ongerief dresseert in termen van wie er schuldig aan of verantwoordelijk voor is maar dikwijls het spoor over haar eigen ficties bijster lijkt.


-“Al die maatregelen, belachelijk. Andere landen hebben het ook niet gedaan en die komen er best goed vanaf.”


“Maar veel landen zijn ook in lockdown gegaan en zo slecht zijn onze cijfers qua sterfgevallen niet, in vergelijking met de rest van de wereld. Kijk naar Amerika en Brazilië.”


-“Ja maar Zweden dan? Die zijn nooit helemaal dicht gegaan en doen het best goed.”


“Dat leek aanvankelijk zo, en dat hing waarschijnlijk ook wel samen met de samenstelling van de bevolking en spreiding daarvan over de gehele oppervlakte, maar ook daar zie je nu toenames in besmettingen en sterfgevallen.”


-“Ja, nou ja. Toch. Maar die Rutte heeft ook gewoon gelogen,” hup, een slok van de Merlot.


“Waarover dan?” volgt de vraag.


-“Ja, over die notulen enzo, weet ik al niet wat.”


“Hmmm.”


Tobias legt zijn schrijfspullen weg, zet zijn koptelefoon op zijn hoofd, stelt kabbelend Chopin in op zijn telefoon en slaat het boek open dat op zijn tafel ligt, een bundel verzameld werk van de fabelachtige Argentijnse verhalenverteller Jorge Luis Borges. Diens Fantastische Verhalen zijn vanzelfsprekend opgenomen in de bundel, een sequentie van fantasieën en ficties die ieder op zichzelf aanvoelen als zuivere werkelijkheden, waaronder Tobias’ favoriet De Ronde Ruïnes. Dat verhaal, van dromende vaders die, gestuwd door de trauma’s uit de geschiedenis, hun zonen dromen naar hun evenbeeld, is de parabel van zijn keuze.
Het geluid afkomstig van de tafel naast hem neemt af in frequentie en amplitude, de discussie afbrokkelend naar smeulende houtskooltjes, bijna uitgedoofd door de genaderde regens.


-“…en Rutte ook, met die hele VOC-mentaliteit.”


Stilte.


Hij kijkt op van zijn boek, ademt door zijn neus de zilte zeelucht van een onrustige avond in en ademt weer uit door zijn mond. De waterdruppels tikken tegen het dakje boven zijn hoofd. Wat ertoe doet, denkt hij, is het hebben van een vertelling, een verhaal, waarin de autobiografische angst invulling geeft aan zijn eigen remedie. Dat geeft veiligheid en controle, in de luttele duisternis van ons bestaan. Wat werkelijk waar is, is niet wat ertoe doet noch wat met zekerheid vast te stellen is. De werkelijkheid is slechts een gebrekkige
lappendeken van onze eigen, individuele verbeelding, collectief gemaakt door uitwisseling maar kwetsbaar voor verschillen in perspectief en beleving, die veranderlijk zijn. Hij legt het boek weg, pakt zijn schrijfboekje, slaat deze open en begint op een lege pagina te schrijven.

Er is een klop op de deur. “Binnen,” zegt Tobias, terwijl hij opkijkt van zijn tafel. Peter, één van de sociotherapeuten, opent de deur, blijft op de drempel van de kamer staan en kijkt hem met een empathische glimlach aan. “Tijd voor groep,” zegt Peter. Hij ziet het tafeltje waar Tobias aan zit, opgesteld tegen het lichtgrijze canvas van de muur, de fineliner in de rechterhand van zijn cliënt, het schrijfboekje opengeslagen voor hem, Borges ernaast. “Ben je aan het schrijven?” “Ja,” antwoordt Tobias. “Wat anders is er?

Lucht

Iemand had hem ooit gezegd, in een kroeg, in een leven hier ver vandaan, dat ze niet had geweten dat ze zoveel van iets kon houden. Hij dacht het te begrijpen.

Na zijn studie in het westen van het land had hij niet meteen geweten hoe snel hij uit de academische bubbel weg had moeten komen. Er was een half promotietraject voor nodig geweest om te begrijpen dat feit en fictie, zoals in zoveel arena’s van het leven, volstrekt inwisselbare begrippen konden zijn. Waar feiten te buigen en te manipuleren zijn heeft niemand meer iets aan het kunstmatige onderscheid tussen de twee.

Jonas had gedroomd van groene weiden en simpele interacties, niet van de geestverdovende werkelijkheden van betonnen academische ziekenhuizen en vergezochte statistische verbanden. Hij nam haar, zijn Anna, mee naar de kluiten van de Overijsselse randstad en decentraliseerde zichzelf en hun toekomst.

Op de dijk langs de IJssel, aan de rand van een stad buiten de randstad, ziet hij gekapte boomstammen uit de grond steken. Net achter de dijk een verwaarloosd, omheind terrein met stacaravans en nomadische yurts, met uit de nok van die laatste de pijp van de houtkachels waar de afgekapte stammen waarschijnlijk hun weg naartoe hadden gevonden.

Decentraal Mongolië fonkelde in zijn hoofd. De reis van een paar jaar terug, met haar, zonder kinderen. In een afgeragd busje van Sovjet-makelij over de steppe, vergezeld door gids en chauffeur. Overnachten in koepeltentjes, in de Siberische kou, omgeven door de duizelingwekkende eenzaamheid van het universum. Een mens leert nederigheid wanneer het dagelijks verpletterd wordt door de ontelbare sterrenstelsels die in de centraal Aziatische nachten neerdalen. Het gevoel van futiliteit dat dat teweegbrengt noopt tot onvoorwaardelijke liefde van al dat direct tastbaar, voelbaar is.

De brug over de IJssel ligt er karakteristiek brak wit bij. De molen in de verte, aan de overkant, een herinnering aan simpeler tijden. Tijden die hij niet meemaakte. Het stadje zit er vol mee, relikwieën van een tijd doorleefd maar niet vergeten.

De deur van de slijterij rinkelt als hij binnenstapt. De guitige eigenaar begroet hem vriendelijk. Voor die grote reis naar de Mongoolse steppe waren ze in wijnovergoten Alfama, in geurig Lissabon. Douro drinken en fado luisteren op koddige terrasjes, Pessoa en Marquez lezen, slapen met de balkondeur open, uitzicht op zee. Het leven is simultaan streven naar dromen die, wanneer vervuld, voorbijgaan en terugverlangen naar momenten die eerst geen droom waren. Met een fles Altano Reserva loopt Jonas de winkel uit.

Hij luistert naar de kwetterende vogeltjes die van en naar de oude huizen aan de Walstraat vliegen, schieten. Hij kijkt langs de klimop waarin ze proberen te nestelen naar de blauwe lucht die als achtergrond fungeert voor de verstilde, donkerwit getinte cumuluswolken die het imaginaire doek bevolken. Hij ademt diep door zijn neus en voelt de ijle lentelucht zijn hoofd openen. Hij loopt naar de rode deur van het huis in de hoek van de straat, steekt de sleutel in het slot en draait deze, tegen de intuïtieve richting in, open. Zodra hij de deur een duw naar binnen geeft hoort hij stampende voetjes in de gang voor het halletje. De tussendeur vliegt open en zijn oudste – vier jaar, blond, blauw, prinses – en in haar kielzog de jongste, het jongetje- twee jaar, blond, bruin, gehuld in berenpak -, vliegen om zijn benen. Jonas knielt en drukt de kleine lijfjes tegen zijn borst, op iedere schouder een knuffelkopje. Anna – zesendertig jaar, blond, blauw, koningin – loopt ook het halletje in, glimlachend. Nooit had hij geweten dat hij zoveel van iets kon houden. Laat staan van drie ervan.

Canvas

Klaas schrikt wakker, zit rechtop, kijkt naar rechts, ziet alarmklok, laat zich rustig zakken.

Het licht in de kamer is onfeitelijk blauw, vaag. Hij knippert met zijn ogen en voelt de slaap wijken. Het is zondagochtend. Vroeg.

Even is er niet dat zwaard. Een fractie van een bewust moment is er niet dat zwaard door zijn hart. Maar dan komt het. Hij draait op zijn zij op het moment dat hij het zwaard voelt. De alarmklok zegt vijf uur drieënvijftig. Nog zeven minuten tot de start van een nieuwe dag.

Dertien minuten blijft hij zo liggen, op zijn zij, voordat hij de rol naar de zijkant afmaakt. Op zijn knieën met zijn maag tegen de bedrand zit hij nu. Hij hijst zich omhoog, steunt met handen en armen op het bed, staat rechtop. Het duizelt. Te snel opgestaan. De verwarming heeft hij niet zachter gezet voordat hij ging slapen, de temperatuur is aangenaam voor zijn naakte lichaam.

Hij staat stil, naast zijn bed, tot zijn hoofd zijn lijf heeft bijgebeend. De klok zegt inmiddels zes uur tien. De dag is begonnen. De kamer wordt langzaamaan lichter, de zon vervolgt zijn kruiperige weg naar de hemel. Hij pakt zijn telefoon van die bovenop de alarmklok ligt. Zijn vergrendelingsscherm toont het gezicht van zijn achtjarige dochter. Blond haar, blauwe ogen. Prachtig is ze. Hij swipete, toetst code in, ziet zijn bureaublad. De foto die zijn bureaublad is. Klein jongetje. Zwart haar, blauwe ogen. Zeldzaam.

Hij loopt naar de deur van zijn slaapkamer, opent deze en kruist de gang naar de wc. Met de deur open zit hij, staart hij, recht vooruit, naar de witte muur met oude verf. Er zijn stukjes afgebrokkeld, kalig, lelijk.

De muur beweegt, vervormt, vertelt een verhaal, een herinnering, een fictie van andere tijden. Een man in sarong jongleert brandende fakkels op een warm, verduisterd strand. Lichtvoetige drum ’n bass kabbelt ergens uit een versterker. Zijn schoolvriend ligt naast hem in het zand, zoete alcohol in fles in de hand, praat.

De wc-bak rammelt en giert als hij doortrekt. Oud beestje. Hij verlaat de ruimte en loopt langzaam door de gang, langs de keuken, naar de woonkamer. Rechts, tegen de muur, staan de geel-rode verhuisdozen opgestapeld, in zes kolommen van vijf dozen per kolom. Of vijf rijen met zes dozen per rij. Kwestie van perspectief. De muren zijn kaal. Op te hangen foto’s op canvas staan zwijgend tegen de linkermuur. De bank staat, de boekenkast ook. Die laatste nog leeg, op wat verhuisrommel na.

Klaas rumineert in stilte, zijn ogen neer. Nog steeds naakt. De gordijnen voor zijn ramen zijn niet gesloten. Niet nodig. Hij zet voorzichtig een paar stappen vooruit en staat nu tegen de achterkant van de bank. Tegen de linkermuur gestald de afbeeldingen uit zijn geschiedenis. Een foto van het colosseum in Rome. Een deel van het colosseum althans, met aan de rechterkant van de foto blauwe lucht met een verdwaald, wit wolkje. Een scherf van een herinnering aan een kinderloos stedentripje met zijn grote liefde.

Hij loopt rechtsom, om de bank heen, langs de dozen die zijn leven herbergen, naar de deur naar het kleine balkon aan de voorkant van het appartement. De deur open, de stap naar het balkon, hij houdt stil. De kale, witte muur van het flatgebouw voor het zijne als een onbeschreven, onbevlekt canvas.

Weer die vervorming, verandering. De blik, gelaatsuitdrukking, van zijn schoolvriend. Gelijk zo het gezicht op zijn bureaublad.

Kaap de goede hoop

Wild door woeste bossen die diffunderen naar grove duinen, de laatste bastions voor de oneindigheid, gaat de gestalte in grijze schaapsjas.

Gewapend met scherpe wil en koptelefoon schiet hij tussen de hoge, groene bomen door. In de regen, de wandel- en ruiterpaden zoveel mogelijk mijdend, zwerft hij nagenoeg geruisloos door het saai naalderige bos. Zijn gedachten tuimelen en draaien. Is het een moderne Molloy verdwaald in de wildernis? Nee, meer oppervlakte dan dat, meer ondefinitie.

Zijn lopen, schieten, ontwikkelt tot zwalken en strompelen naarmate de motregen evolueert tot hoosbui. Het deert hem niet. Zigzaggend door de onbegaanbaarheid ploegt hij voort, door en om de ontstane modderpoeltjes heen. Hij ploegt voort zonder omkijken naar wat achter hem ligt. Langs de gekapte bomen, halverwege genekt. De heuvels op en weer af.

Daar waar het bos te dichtbegroeid is, ondoordringbaar, hem een halt toeroept, draait hij om, keert hij terug en neemt hij een andere weg. Soms lift hij mee op begaan pad, dan slaat hij af en duikt de wildernis weer in. Waden door de modder en slippen op het gras. Vertragen, versnellen, maar nooit stoppen. Nooit stoppen.

Een mens is set temperament en biologische komaf, bloedlijn, doorvoed met andermans moraal en trauma. En hij begint te ploegen, die mens, zodra de aarde onder zijn voeten stabiel voelt. Graven en lopen, tegen de gebeurtenissen aan.

Dan struikelt hij over een overgroeide, bemoste boomwortel, onzichtbaar voor het analytische oog, onmiskenbaar in het ondergrondse welvende onder de oppervlakte waar het zijn oorsprong vindt. Een halt. Liggend op zijn rug kijkt hij langs zijn verweerde wangen schuin omhoog. De nu naaldloze dorre takken van de bomen boven hem schermen de lucht onvoldoende af. Hij kan het grijze wolkendek van tint zien veranderen.

Mensen verloren, ondernemingen gefaald, successen gerelativeerd. Gekapte bomen, halverwege genekt. Maar hij is doorgegaan, heeft gerouwd en gecreëerd, zijn demonen gecremeerd. 

Hij staat op en schudt. Het mos wijkt, de takken glijden, de aarde korrelt, van hem af. Hij richt zich op en kijkt omhoog. De regen is weg, de grijsheid is weg, de dreiging is weg. De wind waait de wolken voorbij de bomen voorbij. Een warme gloed raakt het bos en de gestalte in stilte zeker.

Hij moet door. Door naar het niets. Waar zijn wil hem drijft. Naar de oneindigheid. Hij wandelt onder de bomen uit, de vlakte van de duinen in. Nu dansend op de muziek in zijn oren. Wild, woest, weids kijkt hij. De wind duwt hem naar achteren maar hij duwt terug.

Nog één stijging, één vlucht omhoog, en dan staat hij bovenop de uitkijkpost. De zee loeit en zwoegt. De wind blaast koud zand in zijn gezicht, snijdt zijn wangen en ogen. Maar hij duwt voort. Hij slaat zijn armen uit en laat zich voorover vallen. Maar de grond raakt hij niet. De wind vanuit zee draagt hem, bovenop de duintop.

De wandeling kenmerkt en schept. Vormt en laat het ondergrondse stromen. De mens is een en al expressie. De gestalte tuurt zeewaarts. Er is definitie aan de horizon.

Zonnegloed

Ze was bijna bij het strand. Het huisje dat ze achter had gelaten stond een paar honderd meter landinwaarts. Een eenvoudige bungalow met een slaapkamer, badkamer, keuken en woonkamer, het duingebied als tuin. Nu, in het holst van de nacht, voelde ze het droge zand, de harde schelpjes en het stekelige onkruid haar blote voeten krassen en butsen, terwijl ze het maanverlichte pad naar de laatste rij duinen voor het strand omhoog liep.

Ze hoorde de zee zachtjes en kalm het land veroveren, in de verder doodstille nacht. In de nacht ziet men de ware aard van de dingen beter. Waar de dag het heldere zicht vertroebelt en verdonkeremaant, brengt de nacht verlichting en onthulling.

Vanaf het laatste duin voor het strand zag ze de vuurtoren in het oosten de zee verlichten en verlaten. Ze voelde zich als Dostojevski’s Raskolnikov: angstig en verloren maar overtuigd tegelijkertijd. Het was tijd geweest om de regie over haar eigen welzijn terug te nemen, gebukt als ze was gegaan onder de gewelddadige tirannie van een partner verdronken in zijn eigen narcisme. Nu staarde ze naar de duisternis van de zee en wist dat ze vrij was. Vrij genoeg althans.

Langzaam, de afdaling naar het strand. Het rulle zand gleed tussen haar tenen tot ze door de grens tussen vast en fluïde stapte. Het lauwe water werkte verfrissend op haar enkels en kuiten. Ze knielde, het water kwam tot haar navel. In de verte zag ze de horizon langzaam lichter worden. De geelrode gloed bezwangerde de wolken aan de grens van het zicht. Ze bukte voorover en waste de beurse plek op haar linkerslaap. De verkoeling bood soelaas. Ze keek om naar de duinen achter zich, met daarachter, een paar honderd meter landinwaarts, verborgen voor het zicht, het huisje van haar verleden. Voor zich de zonnegloed van een nieuwe dag.

Ze stond op en zette een stap voorwaarts.

Quarantaine

Al bijna tweeëneenhalf uur zat hij in stilte op de rand van het bed. Aan het voeteneinde, volledig gekleed. Die avond was hij met kleren aan op bed gaan liggen, in de wetenschap dat hij die nacht niet zou slapen. Nu staarde hij, zittend, naar het canvas aan de muur. Een levensgrote afbeelding van hemzelf, Maya, zijn grote liefde, en de kinderen, Elin en Ruben, zijn andere grote liefdes. Hoewel hij vanwege de duisternis in de kamer de foto niet goed kon zien, kon hij wel de contouren van de personen op het canvas onderscheiden. Daarbij kon hij de foto dromen, zag hij het helder in zijn geest. Ieder kraaienpootje en lijntje op de gezichten van de volwassenen, ieder scheef tandje en haartje van de kinderen. Ieder detail zag hij kraakhelder voor zich.

Gedachten aan de dood had hij vroeger vaak genoeg gehad maar nooit met deze intensiteit, zo present en indringend. Het telefoontje van het ziekenhuis was iets na drieën in de nacht gekomen. Nu zat hij met een steen in zijn maag te wachten op het moment dat hij op moest staan om zijn kinderen onder ogen te komen. Of om te verdwijnen. De meeste vaders willen hun kinderen geen pijn doen en de gedachte daaraan verscheurde nu zijn hele innerlijke leven. Maar linksom of rechtsom, pijn doen zou hij ze.

Hoewel de gordijnen nog gesloten waren verdreef de rijzende zon buiten steeds meer de duisternis in de kamer. Helemaal licht zou het er niet worden maar wel licht genoeg om de details van de lachende gezichten voor hem te kunnen zien. Leeg zou zijn canvas nooit meer zijn.

Iets na zessen hoorde hij gestommel op de gang. Langzaam ging de deur open. Daar stond zijn oudste, in de opening, met haar broertje achter zich. Drie mensen in stilte in een slaapkamer in een doorzonhuis in Noord-Brabant. Nu, een eenoudergezin in quarantaine. Elin keek naar de gedaante van haar treurende vader, zag dat hij zijn kleren aan had.

“Ben je al opgestaan, pap?” vroeg ze.

“Nee, lieverd, nog niet.”

Karakorum

De druk op zijn borst nam geleidelijk toe, terwijl hij het gras onder zijn lichaam vochtiger voelde worden. Hoe lang lag hij al op zijn rug? Één uur? Vier uur? Hij draaide zijn hoofd naar rechts en zag de door de maan verlichte heuvel waarachter Karakorum lag, stad van heersers. Links van hem zag hij een uitgestrekte vlakte, met op de voorgrond het minuscule koepeltentje waarin zijn vriendin lag te slapen. Boven zijn hoofd een verblindende diamanten hemel van oneindige intimidatie.

Hoe lang was hij buiten bewustzijn geweest? Hij wist het niet. Hij was de tent uit gegaan om te plassen. Hij had omhoog gekeken en de onmogelijkheid van het stille, onverschillige doch fel fonkelende universum gezien. En toen ging het licht opeens uit. Starend in de afgrond boven hem, in dat onmetelijke, oneindige sterrenspel, had hij zijn eigen levensangst gevoeld. De angst die de mensheid vanaf haar conceptie heeft gedreven – gedumpt in duisternis als zij is – was nu in zijn borst geland.

Niet weten waarom, waar en hoe wij zijn is intrinsiek bedreigend. Daarom discussiëren we over goed en kwaad, objectieve waarneming en het godsbewijs. We ontwikkelen dogmatische stelsels als religie, wetenschap, rechtspraak om de onzichtbare dreiging te dresseren en maken afspraken over wat waar is en wat niet, onderscheiden kunstmatig tussen feit en fictie. Maar kan in een omgeving waarin wij niet begrijpen waarom, waar en hoe wij zijn, niet alles enkel maar fictie, een verhaal, een narratief zijn?

Hij had weinig last van de ijzige septemberkou. Hoewel hij naar dit desolate deel van de wereld was gekomen om zich onderprikkeld te voelen, hadden zijn gedachten hem onverhoeds overmeesterd. Thuis had hij weinig tijd voor zijn gedachten, geperst in het keurslijf als hij was, maar hier ontwaakten de demonen van zijn onderdrukte geest. En die maakten hem vrij. Want hij besefte dat hoe gebonden wij mensen ook zijn door dat wat we niet begrijpen, in een bestaan waar alles fictie is, kunnen we het beste alleen maar aanschouwen wat is en proberen ons eigen verhaal er tussen te schrijven.

Als een regisseur en scenarist van het leven, een heerser, stond hij op, liep naar de tent en wekte zijn vriendin. De zomer erop bracht een nieuwe oneindigheid.

Progressie

De stad is veranderd, ik ben veranderd, de jeugd is veranderd. 

Tieners in universitaire opleidingen praten over multilevel modellen, het vocht achter hun oren druipt op de slecht zittende doch sierlijke bloesjes.

Terwijl ik goed keek is de stad en haar cultuur veranderd zonder dat ik het door had. Het was opeens zo. En ik fietste op een robuust stalen ros beladen met kinderen en twintig kilo aan overtollige ouderdom. 

Huidige leeftijd plus het aantal jaar geleden dat ik met natte oren de vrijheid in stapte maakt mij bijna zestig. Waar is de tijd gebleven? 

Nu weet ik meer niet dan toen, toen ik nog niet wist wat er niet te weten valt. Ik las nu Fuentes en ging ook gek schrijven. Wat een vondst. Alles op z’n kop maar toch hetzelfde. 

Ondertussen ben ik steeds ouder. Maar jong genoeg om nog te leren. Alles is circulair en alles is tijdloos en nutteloos. En daarmee bijna vrij.

Vrij genoeg.

Lijn

Het felle tl-licht in de treincoupé versterkt de verduistering buiten, in de weilanden waar de geel-blauwe banaan door het late avonduur tjoekt. Vanuit een willekeurige plek aan de hemel moet het er uit zien als een vuurvliegje dat een gebaand pad volgt, een directe lijn van A naar B. Maar een rechtstreekse verbinding tussen A en B is er alleen als je vanaf een specifiek station in A reist, bijvoorbeeld vanaf C of M. Ieder geval niet vanaf H. En dat terwijl H belangrijk is.

In tijden van corona zijn er weinig directe verbindingen. Of ieder geval veel minder frequente. Behalve misschien tussen familieleden. In de duisternis van noodverordeningen en – maatregelen reizen weinigen met de trein. De conductrice zit in haar hokje, leest een tijdschrift, drinkt water met koffiesmaak. Het heeft weinig zin de ronde te doen. Of zij heeft weinig zin haar ronde te doen. Misschien zitten er 10 mensen in de hele trein. Misschien zit er één zwartrijder tussen, misschien geen. Liever leest zij een damesblad, met koddige interviews met onbelangrijke bekenden, dan dat zij op haar telefoon door paniekerige nieuwsberichten scrolt. Scrollen. Een goed Engels woord voor een universele bezigheid in deze tijden van informatiediarree. Toch is het voor velen lastig om weg te blijven van de dagelijkse stortvloed aan getallen, indicaties, prognoses. De mens denkt informatie te willen zodat het de regie kan nemen. Regie over zijn emoties, zijn angst. Althans, in die illusie verkeren mensen al sinds mensenheugenis. Dat beschikken over meer informatie altijd leidt tot meer regie en minder angst. Denkfout van ons brein. 

Het aantal doden is bijna even groot als dat in Italië een paar weken terug. De intelligente lockdown vereist dat mensen zoveel mogelijk thuis blijven en vanuit huis werken. Men dient anderhalve meter afstand te houden van elkaar en samenscholing met meer dan twee mensen die niet van hetzelfde huishouden zijn is onwenselijk. Scholen, kinderdagverblijven, universiteiten, restaurants en kantoorpanden zijn leeg. Het publieke leven ligt op zijn gat. Allemaal in de hoop de verspreiding van het virus te doen laten afremmen, plat te leggen. Hoewel de treinen en bussen nog rijden, doen zij dat met aangepaste dienstregeling. De trein van A naar B ook. Met een aangepaste regeling. En nog zit er bijna geen levend wezen in de trein.

In B staat een groot huis met dito tuin. De pensionado’s die er wonen zijn op dit moment niet thuis. Op veel andere momenten zijn ze wel thuis geweest. Ruim veertig jaar aan momenten zijn ze thuis geweest, waarvan plusminus twintig met kinderen. Tegenwoordig vaak met kleinkinderen. Kruipende, stommelende, omlazerende kindertjes met snotneuzen en hoge stemmen domineren dikwijls de beleving van de groene achtertuin. Opa heeft een schommel aan een boomtak gehangen. In de zomer staat er een opblaasbaar kinderbadje waarin geklotst en gezwommen kan worden. Maar de afgelopen weken zijn er even geen kinderen of kleinkinderen. De lockdown verhindert niet-noodzakelijk bezoek. Toch is er verbinding mogelijk. Opa’s en oma’s in het hele land hebben leren videobellen, zodat ze hun nageslacht nog kunnen zien en horen. Chaotische beeldgesprekken tussen mensen met beperkte aandachtsspannes aan beide kanten van het scherm. Ouderen in villa’s bellen beeld met hun nakomelingen in kleine, volle, drukke doorzonwoningen. De vormen van communicatie van een maatschappij geïsoleerd in zichzelf worden ingegeven en bepaald door angst voor een virus even ongrijpbaar als zijn eigen oorsprong. Was het een vleermuis of een schubdier op het bord van een argeloze Chinees of toch een lek uit een viruslab, dat aan de basis van de globale pandemie lag? De meningen zijn verdeeld.

Een trein is op weg naar huis. Weg van een ziekenhuis in partiële quarantaine. Traag door het donkere niets kruipend, verstild in zijn eigen licht. Net als een nachttrein bijna vijftig jaar eerder, door de donkere Alpen. Door gitzwarte Alpentunnels, omgeven door witte bergen die pas bij het ochtendgloren goed zichtbaar werden, wanneer de slaperige passagiers uit de ramen van hun coupés keken. Toen pensionado’s uit B nog verliefde twintigers waren, met hun vrijheid op reis. Met een goedkoop treinpasje Europa door, even weg van studie en andere verplichtingen, de tassen vol met kleren en boeken en wijn. De kinderen zouden pas bijna tien jaar later komen. Geboren worden bij twee mensen met vaste, goed betalende banen. Twee dochters, twee jaar leeftijdsverschil, groeiden op in groene weelde in een dorp, gingen naar school met blauw bloedende hockeyvriendinnetjes en – vriendjes en reisden met hun ouders de wereld over. Op hun 18e vertrokken ze uit B. Om te studeren in grotere steden. De oudste vertrok naar Nijmegen, de jongste, toen het haar beurt was, naar Utrecht. De oudste werd psycholoog, de jongste jurist. 

De lockdown duurt te lang maar een andere oplossing lijkt niet voorhanden, in afwezigheid van een vaccin. De wereld in isolement, in bezinning over de waarde van het leven. Politieke leiders geven kleur en identiteit aan hun publieke functie door de manier waarop ze omgaan met een wijdverspreid letaal virus. De mate van kundigheid en geschiktheid voor het besturen van een bedreigde gemeenschap wordt blootgelegd voor de miljoenen ogen die aan schermen gekluisterd zitten. Lofzangen en kritieken wisselen elkaar in duizelingwekkend tempo af, terwijl buiten de lucht schoner en minder geroerd is dan ooit tevoren in het moderne tijdperk. De tijd zal leren welke koppen er gaan rollen en welke herverkozen worden in de komende verkiezingen. Welke politieke of ideologische lijn ingezet zal worden als het stof van de epidemie is gaan liggen en de bezinningen ten einde zijn. 

Dochters uit B wonen met hun jonge gezinnen in A. Op loopafstand van elkaar, in kleine dure huisjes. In gewone tijden lopen ze de deur niet bij elkaar plat maar gaan regelmatig genoeg bij elkaar op bezoek. De kinderen spelen, de volwassenen praten. Over hypotheeklasten en kinderdagverblijfkosten. Over Griekse eilanden die overspoeld worden met vluchtelingen. Over het narcisme van wereldleiders en de psychopathie van kapitalistische economieën. Luchtige gesprekken voor mensen wier primaire levensbehoeften verder geëvolueerd lijken van de behoefte aan onderdak, voedsel en drinkwater en wier afstand tot de noodlijdende thematieken van gemeenschappen die in brand staan groot genoeg is. Alleen die hypotheeklasten. Die zijn pittig als je in A woont in een klein, duur huis met uitzicht op karakteristieke grachten en huizen met guitige gevels. 

Een geel-blauwe banaan dommelt voort door traag laagland. In de voorste coupé verroert zich geen vin. Groene stoelen en banken verzuipen in het overdadige licht. De vloer is er niet plakkerig, zoals hij dat dikwijls wel is geweest. De prullenbakjes zijn leeg en schoon, evenals de tafeltjes. De ramen zijn zwarte gaten waardoor het leven in een oogwenk ontglipt. De bossen nabij B zijn haast onzichtbaar voor de weinige inzittenden van de trein. Vanuit hun duistere stilte is het interieur van de vuurvlieg goed waarneembaar. Een enkele passagier heeft zijn hoofd tegen het raam, een andere slaapt en een derde kijkt naar haar schoot, ter hoogte waarvan waarschijnlijk een telefoon vastgehouden en bescrold wordt. 

Op een willekeurige lenteavond missen alle huizen van een familie een matriarch. De jonge moeders zijn weer dochter bij de hoofdingang van een ziekenhuis in partiële quarantaine. Dochters van een oude vader op een bankje, dochters van een moeder in een bed waar ze niet bij mogen. Zo dichtbij mogelijk als het kan dineren drie angstige mensen in een ziekenhuisrestaurant, terwijl ze praten over een zieke vrouw in een bed een paar verdiepingen boven ze. De opname moest in A. Bij station H. In B was er geen plek en het moest acuut. Het begon als een gewone griep, met keelpijn en algehele malaise. Op zichzelf niets bijzonders. Vervelend, maar niet bijzonder. Zelfs niet toen de koorts kwam. Hij kwam op en verdween weer. Maar toen keerde hij terug, heviger dan ervoor, vergezeld van benauwdheid. Toen gingen de alarmbellen rinkelen in een huis in B. Ademhalingsproblemen volgden snel en opname op een speciale intensive care-afdeling was noodzakelijk. Nu ligt oma aan de beademing, geisoleerd, alleen, in het vagevuur, wachtend op uitsluitsel.

Wachten is wat moet. De gemeenschap in lockdown wacht op strohalmen uit beleidshoofdkwartieren. Op deskundigen die zeggen dat het onder controle is. Of dat er een vaccin is. Wachten op tekenen aan de wand dat het beter zal gaan. Wachten op verlossing. Een gezin uit B wacht ook. Op dalende koorts, op verbeterde saturatie van het bloed, op een twinkeling in de ogen van hun geliefde vrouw en moeder. 

Wetenschappers rekenen epidemiologische modellen door en melden weinig hoopgevende voorspellingen. Artsen in de frontlinies van de oorlog geven interviews in kranten waarin ze verwachtingen temperen. Dit virus blijft nog even onder de mensen. Toch worden langzaamaan de krantenkoppen minder dreigend en minder tendentieus. Een lichte daling in landelijke opnames, minder zieken en minder doden dan voorgaande weken geven enige hoop. Maar beleidsmakers waarschuwen, proberen hun ernst vast te houden. We moeten nu niet verslappen en te licht gaan denken over de situatie. Dan grijpt het virus zijn kans en zaait hij infectie om zich heen. We moeten voorzichtig blijven en niet te snel terug willen naar normaal. Alsof dat nog kan. De wereldgezondheid heeft een ongelofelijke tik gehad, de wereldeconomie idem. Het herstel van dit natuurlijke geweld en de opgelegde consequenties die het kreeg zal jaren, decennia duren. En zelfs dan zal de wereld nooit meer hetzelfde zijn, zeggen deskundigen in praatprogramma’s en kranten. Gitzwart is de toekomst, meent het Internationale Monetaire Fonds. De onvermijdelijke economische depressie die zal volgen kent slechts haar gelijke in die van de jaren dertig, na de beurskrach van 1929. Voor tienduizenden mensen maakt dit allemaal niet meer uit. Zij zullen de duistere toekomst niet meer  voelen.

De passagiers van een bananige vuurvlieg zijn verstild in hun reis voorbij B. Niemand stapt er uit, in B. De sprinter sjokt voort in het avonddonker. In de eerste coupé verroert zich geen vin. De conductrice loopt met trage tred langs de stoelen en banken. Bij het laatste viertje staat ze stil. Haar gezicht verschiet van kleur en haar hartslag gaat omhoog. Daar ligt hij, onderuitgezakt over een stoel, met zijn rug naar de rijrichting, zijn lange benen diagonaal kruisend tegen de stoelen tegenover hem. Met zijn hoofd leunt hij tegen het zwarte gat waardoor het leven verdwijnt. Zijn mond en ogen zijn open maar de borst gaat niet op en neer. In zijn op de naastgelegen stoel rustende linkerhand heeft hij zijn telefoon. Er is verbinding, een lijn. Er klinkt een jonge, hoge vrouwenstem. “Pap, ben je daar nog? Hoorde je wat ik zei? Mama is dood.” 

De Alpenlucht van weleer gaf leven aan dromen en verwachtingen. Aan onbezonnen de toekomst in stappen, met half uitgedachte plannen waarin zuurstoftekort niet voorkwam. Die toekomst is geleefd, in het heden. Een continue aaneenschakeling van gebeurtenissen en belevingen in het heden. Er is alleen het heden, de toekomst en het verleden contructies van onze fantasie. Ficties van de geest. Alleen het hier en nu is wat waarde heeft. Tot je het aanraakt. Want ook het heden kun je niet helemaal grijpen. Zodra je het grijpt is het weg. Een lijn wordt een punt. En dan is het weer leegte, net als al het andere. Leegte ingekleurd door fantasie.