Lola zwemt

De vlinders zijn al lang en breed vertrokken wanneer Lola langs de kale bomen met dode dwarrelende bladeren loopt en door een opening die het afwezige bladerdek toelaat de dunne grijze lucht ziet die de hoop op zomer doet groeien. Ze wil in de winter, door de winter, voorbij de winter, waar de herinneringen dubbel tellen.

Met Ocean Vuong’s On earth we’re briefly gorgeous vers achter de ogen, de vlinders op de kaft in haar hart, walst ze door het natte winterbos. Ze danst met de liefde van haar leven, de liefde die een jaar geleden vertrok, en ze voelt dat de tijdelijkheid van zijn aanwezigheid voor altijd verankerd ligt in een porie van haar huid. Ze kan verder, de zwaarte van het bestaan verlicht door het besef dat niemand ooit echt verdwijnt, wanneer het de eigen geest is die de beleving aan een persoon voortbrengt. Ultiem intiem en in bezit.

Lola alleen in de winter voelt de wind de rivier van richting veranderen en ze zwemt mee langs de ongelijke oevers. Even weg van het appartement in Overvecht, waar het verdriet zo lang op de loer lag, onder dekens, naast de koelkast, bij de voordeur. Lola duikt en zwemt, maakt meters in de weerzin van haar hoofd en wil uitkomen aan de andere kant van het water, waar de oever laag is, of het water hoog.

De waarachtigheid van een land in lockdown voedt de rust in haar hoofd en doet de gedachten fonkelen. Er is reliëf, er zijn uitschieters, de flitsen zijn beter te onderscheiden. Ze schrijft en ze denkt, in wisselende volgorde, en ze lacht en ze geeuwt. De zolderkamer een panopticon van inzicht en vrijheid. Ze rust en ze slaapt, waakt alert maar minder bezwaard.

De lantaarnpaal langs de Kardinaal de Jongweg staat scheef en fier. Hij valt niet om, het incassovermogen intact. Lola fietst langs de greppel, weg van het Noorden, op naar het Oosten, waar de zon gaat schijnen wanneer ze er aankomt. Ze ligt in het park aan het water, even weg van waar in de zomer de zwanen lopen. Ze berust in de eindigheid van de oude dingen en het plotselinge zijn van de nieuwe. Ze berust in de daad van het stoffelijke afscheid en preserveert het geestelijke. Ze slaapt in de warme winterkou en glimlacht naar een hemel waar ze niet in gelooft.

Het is bijna tijd voor de zomer. Eerst die rottige lente nog door, die belofte van een toekomst, een toekomst die jeukt en maar niet komt tot je er doorheen bent.

Plaats een reactie