Het verlaten, druilerige strand wordt overspoeld door het doffe licht van de ondergaande zon die achter achter wolken en mist verdwijnt. De regen kietelt de viscose zilveren waterpoeltjes in het zand waar de zee zich al heeft teruggetrokken. De egaal grijze vlakte, waar strand en zee in elkaar over gaan, is het toneel van alles dat vertrekt, afgezien van de paar bootjes die op veilige onderlinge sociale afstand voor anker liggen. In de verte, in de richting van waar het andere eiland moet liggen, is enkel de lichtgrijze deken van de slagregens te zien, het perspectief op het baken van licht, de vuurtoren op de heuvel, volledig grauw.
Tobias hangt in zijn stoel en kijkt van achter zijn tafeltje voor zich uit, naar de begrenzing van het zicht. Hij schrijft in zijn boekje, met zwarte fineliner, de verhalen op die ontspringen in zijn hoofd, in zijn herinnering, in zijn directe omgeving. Af en toe kijkt hij voor langere tijd op van zijn tekst, tuurt hij naar de grijze horizon en overdenkt het afgelopen anderhalf jaar. De tijd waarin de mensheid plots belaagd werd door een moeilijk te definiëren en te temmen vijand. Hij denkt aan de collectieve onzekerheid en angst die slopen en kropen door de kieren en scheuren van het podium waarop wij onze verhalen leven. De pandemie van angst die van binnenuit de rationaliteit van onze welvaart ondermijnde. De sluizen gingen open en de verhalen stroomden de gemeenschappelijke arena binnen. Alternatieve feiten, achterdocht en openlijk wantrouwen van gezag domineerden het discours, waarbij iedereen zich vastklampte aan de eigen intuïtieve waarheid. Er werden alternatieve verklaringen uitgedragen voor de aard en oorzaak van de pandemie evenals innovatieve en uiteenlopende theorieën over de bestrijding ervan. De vermenging van feit en fictie als gevolg van het publieke debat over het goede en het kwade bracht ons een nieuwe werkelijkheid. Één waarin dat wat je gelooft waar is en al het andere een aanval op het zelf is.
Hij ziet een gezelschap naast hem. Ziet hoe een vrouw, zestiger, en een stel, vijftigers, ongemakkelijk voorzichtig kennis maken na met elkaar in gesprek te zijn geraakt vanaf naburige tafeltjes en stoelen. Hij ziet drie mensen die zoeken naar een verhaal, een gemeenschappelijkheid in een verhaal, om zich mee aan elkaar te verbinden. De enkele vrouw is een klok-en-klepel-klager die ongerief dresseert in termen van wie er schuldig aan of verantwoordelijk voor is maar dikwijls het spoor over haar eigen ficties bijster lijkt.
-“Al die maatregelen, belachelijk. Andere landen hebben het ook niet gedaan en die komen er best goed vanaf.”
“Maar veel landen zijn ook in lockdown gegaan en zo slecht zijn onze cijfers qua sterfgevallen niet, in vergelijking met de rest van de wereld. Kijk naar Amerika en Brazilië.”
-“Ja maar Zweden dan? Die zijn nooit helemaal dicht gegaan en doen het best goed.”
“Dat leek aanvankelijk zo, en dat hing waarschijnlijk ook wel samen met de samenstelling van de bevolking en spreiding daarvan over de gehele oppervlakte, maar ook daar zie je nu toenames in besmettingen en sterfgevallen.”
-“Ja, nou ja. Toch. Maar die Rutte heeft ook gewoon gelogen,” hup, een slok van de Merlot.
“Waarover dan?” volgt de vraag.
-“Ja, over die notulen enzo, weet ik al niet wat.”
“Hmmm.”
Tobias legt zijn schrijfspullen weg, zet zijn koptelefoon op zijn hoofd, stelt kabbelend Chopin in op zijn telefoon en slaat het boek open dat op zijn tafel ligt, een bundel verzameld werk van de fabelachtige Argentijnse verhalenverteller Jorge Luis Borges. Diens Fantastische Verhalen zijn vanzelfsprekend opgenomen in de bundel, een sequentie van fantasieën en ficties die ieder op zichzelf aanvoelen als zuivere werkelijkheden, waaronder Tobias’ favoriet De Ronde Ruïnes. Dat verhaal, van dromende vaders die, gestuwd door de trauma’s uit de geschiedenis, hun zonen dromen naar hun evenbeeld, is de parabel van zijn keuze.
Het geluid afkomstig van de tafel naast hem neemt af in frequentie en amplitude, de discussie afbrokkelend naar smeulende houtskooltjes, bijna uitgedoofd door de genaderde regens.
-“…en Rutte ook, met die hele VOC-mentaliteit.”
Stilte.
Hij kijkt op van zijn boek, ademt door zijn neus de zilte zeelucht van een onrustige avond in en ademt weer uit door zijn mond. De waterdruppels tikken tegen het dakje boven zijn hoofd. Wat ertoe doet, denkt hij, is het hebben van een vertelling, een verhaal, waarin de autobiografische angst invulling geeft aan zijn eigen remedie. Dat geeft veiligheid en controle, in de luttele duisternis van ons bestaan. Wat werkelijk waar is, is niet wat ertoe doet noch wat met zekerheid vast te stellen is. De werkelijkheid is slechts een gebrekkige
lappendeken van onze eigen, individuele verbeelding, collectief gemaakt door uitwisseling maar kwetsbaar voor verschillen in perspectief en beleving, die veranderlijk zijn. Hij legt het boek weg, pakt zijn schrijfboekje, slaat deze open en begint op een lege pagina te schrijven.
Er is een klop op de deur. “Binnen,” zegt Tobias, terwijl hij opkijkt van zijn tafel. Peter, één van de sociotherapeuten, opent de deur, blijft op de drempel van de kamer staan en kijkt hem met een empathische glimlach aan. “Tijd voor groep,” zegt Peter. Hij ziet het tafeltje waar Tobias aan zit, opgesteld tegen het lichtgrijze canvas van de muur, de fineliner in de rechterhand van zijn cliënt, het schrijfboekje opengeslagen voor hem, Borges ernaast. “Ben je aan het schrijven?” “Ja,” antwoordt Tobias. “Wat anders is er?