Iemand had hem ooit gezegd, in een kroeg, in een leven hier ver vandaan, dat ze niet had geweten dat ze zoveel van iets kon houden. Hij dacht het te begrijpen.
Na zijn studie in het westen van het land had hij niet meteen geweten hoe snel hij uit de academische bubbel weg had moeten komen. Er was een half promotietraject voor nodig geweest om te begrijpen dat feit en fictie, zoals in zoveel arena’s van het leven, volstrekt inwisselbare begrippen konden zijn. Waar feiten te buigen en te manipuleren zijn heeft niemand meer iets aan het kunstmatige onderscheid tussen de twee.
Jonas had gedroomd van groene weiden en simpele interacties, niet van de geestverdovende werkelijkheden van betonnen academische ziekenhuizen en vergezochte statistische verbanden. Hij nam haar, zijn Anna, mee naar de kluiten van de Overijsselse randstad en decentraliseerde zichzelf en hun toekomst.
Op de dijk langs de IJssel, aan de rand van een stad buiten de randstad, ziet hij gekapte boomstammen uit de grond steken. Net achter de dijk een verwaarloosd, omheind terrein met stacaravans en nomadische yurts, met uit de nok van die laatste de pijp van de houtkachels waar de afgekapte stammen waarschijnlijk hun weg naartoe hadden gevonden.
Decentraal Mongolië fonkelde in zijn hoofd. De reis van een paar jaar terug, met haar, zonder kinderen. In een afgeragd busje van Sovjet-makelij over de steppe, vergezeld door gids en chauffeur. Overnachten in koepeltentjes, in de Siberische kou, omgeven door de duizelingwekkende eenzaamheid van het universum. Een mens leert nederigheid wanneer het dagelijks verpletterd wordt door de ontelbare sterrenstelsels die in de centraal Aziatische nachten neerdalen. Het gevoel van futiliteit dat dat teweegbrengt noopt tot onvoorwaardelijke liefde van al dat direct tastbaar, voelbaar is.
De brug over de IJssel ligt er karakteristiek brak wit bij. De molen in de verte, aan de overkant, een herinnering aan simpeler tijden. Tijden die hij niet meemaakte. Het stadje zit er vol mee, relikwieën van een tijd doorleefd maar niet vergeten.
De deur van de slijterij rinkelt als hij binnenstapt. De guitige eigenaar begroet hem vriendelijk. Voor die grote reis naar de Mongoolse steppe waren ze in wijnovergoten Alfama, in geurig Lissabon. Douro drinken en fado luisteren op koddige terrasjes, Pessoa en Marquez lezen, slapen met de balkondeur open, uitzicht op zee. Het leven is simultaan streven naar dromen die, wanneer vervuld, voorbijgaan en terugverlangen naar momenten die eerst geen droom waren. Met een fles Altano Reserva loopt Jonas de winkel uit.
Hij luistert naar de kwetterende vogeltjes die van en naar de oude huizen aan de Walstraat vliegen, schieten. Hij kijkt langs de klimop waarin ze proberen te nestelen naar de blauwe lucht die als achtergrond fungeert voor de verstilde, donkerwit getinte cumuluswolken die het imaginaire doek bevolken. Hij ademt diep door zijn neus en voelt de ijle lentelucht zijn hoofd openen. Hij loopt naar de rode deur van het huis in de hoek van de straat, steekt de sleutel in het slot en draait deze, tegen de intuïtieve richting in, open. Zodra hij de deur een duw naar binnen geeft hoort hij stampende voetjes in de gang voor het halletje. De tussendeur vliegt open en zijn oudste – vier jaar, blond, blauw, prinses – en in haar kielzog de jongste, het jongetje- twee jaar, blond, bruin, gehuld in berenpak -, vliegen om zijn benen. Jonas knielt en drukt de kleine lijfjes tegen zijn borst, op iedere schouder een knuffelkopje. Anna – zesendertig jaar, blond, blauw, koningin – loopt ook het halletje in, glimlachend. Nooit had hij geweten dat hij zoveel van iets kon houden. Laat staan van drie ervan.