Klaas schrikt wakker, zit rechtop, kijkt naar rechts, ziet alarmklok, laat zich rustig zakken.
Het licht in de kamer is onfeitelijk blauw, vaag. Hij knippert met zijn ogen en voelt de slaap wijken. Het is zondagochtend. Vroeg.
Even is er niet dat zwaard. Een fractie van een bewust moment is er niet dat zwaard door zijn hart. Maar dan komt het. Hij draait op zijn zij op het moment dat hij het zwaard voelt. De alarmklok zegt vijf uur drieënvijftig. Nog zeven minuten tot de start van een nieuwe dag.
Dertien minuten blijft hij zo liggen, op zijn zij, voordat hij de rol naar de zijkant afmaakt. Op zijn knieën met zijn maag tegen de bedrand zit hij nu. Hij hijst zich omhoog, steunt met handen en armen op het bed, staat rechtop. Het duizelt. Te snel opgestaan. De verwarming heeft hij niet zachter gezet voordat hij ging slapen, de temperatuur is aangenaam voor zijn naakte lichaam.
Hij staat stil, naast zijn bed, tot zijn hoofd zijn lijf heeft bijgebeend. De klok zegt inmiddels zes uur tien. De dag is begonnen. De kamer wordt langzaamaan lichter, de zon vervolgt zijn kruiperige weg naar de hemel. Hij pakt zijn telefoon van die bovenop de alarmklok ligt. Zijn vergrendelingsscherm toont het gezicht van zijn achtjarige dochter. Blond haar, blauwe ogen. Prachtig is ze. Hij swipete, toetst code in, ziet zijn bureaublad. De foto die zijn bureaublad is. Klein jongetje. Zwart haar, blauwe ogen. Zeldzaam.
Hij loopt naar de deur van zijn slaapkamer, opent deze en kruist de gang naar de wc. Met de deur open zit hij, staart hij, recht vooruit, naar de witte muur met oude verf. Er zijn stukjes afgebrokkeld, kalig, lelijk.
De muur beweegt, vervormt, vertelt een verhaal, een herinnering, een fictie van andere tijden. Een man in sarong jongleert brandende fakkels op een warm, verduisterd strand. Lichtvoetige drum ’n bass kabbelt ergens uit een versterker. Zijn schoolvriend ligt naast hem in het zand, zoete alcohol in fles in de hand, praat.
De wc-bak rammelt en giert als hij doortrekt. Oud beestje. Hij verlaat de ruimte en loopt langzaam door de gang, langs de keuken, naar de woonkamer. Rechts, tegen de muur, staan de geel-rode verhuisdozen opgestapeld, in zes kolommen van vijf dozen per kolom. Of vijf rijen met zes dozen per rij. Kwestie van perspectief. De muren zijn kaal. Op te hangen foto’s op canvas staan zwijgend tegen de linkermuur. De bank staat, de boekenkast ook. Die laatste nog leeg, op wat verhuisrommel na.
Klaas rumineert in stilte, zijn ogen neer. Nog steeds naakt. De gordijnen voor zijn ramen zijn niet gesloten. Niet nodig. Hij zet voorzichtig een paar stappen vooruit en staat nu tegen de achterkant van de bank. Tegen de linkermuur gestald de afbeeldingen uit zijn geschiedenis. Een foto van het colosseum in Rome. Een deel van het colosseum althans, met aan de rechterkant van de foto blauwe lucht met een verdwaald, wit wolkje. Een scherf van een herinnering aan een kinderloos stedentripje met zijn grote liefde.
Hij loopt rechtsom, om de bank heen, langs de dozen die zijn leven herbergen, naar de deur naar het kleine balkon aan de voorkant van het appartement. De deur open, de stap naar het balkon, hij houdt stil. De kale, witte muur van het flatgebouw voor het zijne als een onbeschreven, onbevlekt canvas.
Weer die vervorming, verandering. De blik, gelaatsuitdrukking, van zijn schoolvriend. Gelijk zo het gezicht op zijn bureaublad.