Kaap de goede hoop

Wild door woeste bossen die diffunderen naar grove duinen, de laatste bastions voor de oneindigheid, gaat de gestalte in grijze schaapsjas.

Gewapend met scherpe wil en koptelefoon schiet hij tussen de hoge, groene bomen door. In de regen, de wandel- en ruiterpaden zoveel mogelijk mijdend, zwerft hij nagenoeg geruisloos door het saai naalderige bos. Zijn gedachten tuimelen en draaien. Is het een moderne Molloy verdwaald in de wildernis? Nee, meer oppervlakte dan dat, meer ondefinitie.

Zijn lopen, schieten, ontwikkelt tot zwalken en strompelen naarmate de motregen evolueert tot hoosbui. Het deert hem niet. Zigzaggend door de onbegaanbaarheid ploegt hij voort, door en om de ontstane modderpoeltjes heen. Hij ploegt voort zonder omkijken naar wat achter hem ligt. Langs de gekapte bomen, halverwege genekt. De heuvels op en weer af.

Daar waar het bos te dichtbegroeid is, ondoordringbaar, hem een halt toeroept, draait hij om, keert hij terug en neemt hij een andere weg. Soms lift hij mee op begaan pad, dan slaat hij af en duikt de wildernis weer in. Waden door de modder en slippen op het gras. Vertragen, versnellen, maar nooit stoppen. Nooit stoppen.

Een mens is set temperament en biologische komaf, bloedlijn, doorvoed met andermans moraal en trauma. En hij begint te ploegen, die mens, zodra de aarde onder zijn voeten stabiel voelt. Graven en lopen, tegen de gebeurtenissen aan.

Dan struikelt hij over een overgroeide, bemoste boomwortel, onzichtbaar voor het analytische oog, onmiskenbaar in het ondergrondse welvende onder de oppervlakte waar het zijn oorsprong vindt. Een halt. Liggend op zijn rug kijkt hij langs zijn verweerde wangen schuin omhoog. De nu naaldloze dorre takken van de bomen boven hem schermen de lucht onvoldoende af. Hij kan het grijze wolkendek van tint zien veranderen.

Mensen verloren, ondernemingen gefaald, successen gerelativeerd. Gekapte bomen, halverwege genekt. Maar hij is doorgegaan, heeft gerouwd en gecreëerd, zijn demonen gecremeerd. 

Hij staat op en schudt. Het mos wijkt, de takken glijden, de aarde korrelt, van hem af. Hij richt zich op en kijkt omhoog. De regen is weg, de grijsheid is weg, de dreiging is weg. De wind waait de wolken voorbij de bomen voorbij. Een warme gloed raakt het bos en de gestalte in stilte zeker.

Hij moet door. Door naar het niets. Waar zijn wil hem drijft. Naar de oneindigheid. Hij wandelt onder de bomen uit, de vlakte van de duinen in. Nu dansend op de muziek in zijn oren. Wild, woest, weids kijkt hij. De wind duwt hem naar achteren maar hij duwt terug.

Nog één stijging, één vlucht omhoog, en dan staat hij bovenop de uitkijkpost. De zee loeit en zwoegt. De wind blaast koud zand in zijn gezicht, snijdt zijn wangen en ogen. Maar hij duwt voort. Hij slaat zijn armen uit en laat zich voorover vallen. Maar de grond raakt hij niet. De wind vanuit zee draagt hem, bovenop de duintop.

De wandeling kenmerkt en schept. Vormt en laat het ondergrondse stromen. De mens is een en al expressie. De gestalte tuurt zeewaarts. Er is definitie aan de horizon.

Plaats een reactie