Ze was bijna bij het strand. Het huisje dat ze achter had gelaten stond een paar honderd meter landinwaarts. Een eenvoudige bungalow met een slaapkamer, badkamer, keuken en woonkamer, het duingebied als tuin. Nu, in het holst van de nacht, voelde ze het droge zand, de harde schelpjes en het stekelige onkruid haar blote voeten krassen en butsen, terwijl ze het maanverlichte pad naar de laatste rij duinen voor het strand omhoog liep.
Ze hoorde de zee zachtjes en kalm het land veroveren, in de verder doodstille nacht. In de nacht ziet men de ware aard van de dingen beter. Waar de dag het heldere zicht vertroebelt en verdonkeremaant, brengt de nacht verlichting en onthulling.
Vanaf het laatste duin voor het strand zag ze de vuurtoren in het oosten de zee verlichten en verlaten. Ze voelde zich als Dostojevski’s Raskolnikov: angstig en verloren maar overtuigd tegelijkertijd. Het was tijd geweest om de regie over haar eigen welzijn terug te nemen, gebukt als ze was gegaan onder de gewelddadige tirannie van een partner verdronken in zijn eigen narcisme. Nu staarde ze naar de duisternis van de zee en wist dat ze vrij was. Vrij genoeg althans.
Langzaam, de afdaling naar het strand. Het rulle zand gleed tussen haar tenen tot ze door de grens tussen vast en fluïde stapte. Het lauwe water werkte verfrissend op haar enkels en kuiten. Ze knielde, het water kwam tot haar navel. In de verte zag ze de horizon langzaam lichter worden. De geelrode gloed bezwangerde de wolken aan de grens van het zicht. Ze bukte voorover en waste de beurse plek op haar linkerslaap. De verkoeling bood soelaas. Ze keek om naar de duinen achter zich, met daarachter, een paar honderd meter landinwaarts, verborgen voor het zicht, het huisje van haar verleden. Voor zich de zonnegloed van een nieuwe dag.
Ze stond op en zette een stap voorwaarts.