Al bijna tweeëneenhalf uur zat hij in stilte op de rand van het bed. Aan het voeteneinde, volledig gekleed. Die avond was hij met kleren aan op bed gaan liggen, in de wetenschap dat hij die nacht niet zou slapen. Nu staarde hij, zittend, naar het canvas aan de muur. Een levensgrote afbeelding van hemzelf, Maya, zijn grote liefde, en de kinderen, Elin en Ruben, zijn andere grote liefdes. Hoewel hij vanwege de duisternis in de kamer de foto niet goed kon zien, kon hij wel de contouren van de personen op het canvas onderscheiden. Daarbij kon hij de foto dromen, zag hij het helder in zijn geest. Ieder kraaienpootje en lijntje op de gezichten van de volwassenen, ieder scheef tandje en haartje van de kinderen. Ieder detail zag hij kraakhelder voor zich.
Gedachten aan de dood had hij vroeger vaak genoeg gehad maar nooit met deze intensiteit, zo present en indringend. Het telefoontje van het ziekenhuis was iets na drieën in de nacht gekomen. Nu zat hij met een steen in zijn maag te wachten op het moment dat hij op moest staan om zijn kinderen onder ogen te komen. Of om te verdwijnen. De meeste vaders willen hun kinderen geen pijn doen en de gedachte daaraan verscheurde nu zijn hele innerlijke leven. Maar linksom of rechtsom, pijn doen zou hij ze.
Hoewel de gordijnen nog gesloten waren verdreef de rijzende zon buiten steeds meer de duisternis in de kamer. Helemaal licht zou het er niet worden maar wel licht genoeg om de details van de lachende gezichten voor hem te kunnen zien. Leeg zou zijn canvas nooit meer zijn.
Iets na zessen hoorde hij gestommel op de gang. Langzaam ging de deur open. Daar stond zijn oudste, in de opening, met haar broertje achter zich. Drie mensen in stilte in een slaapkamer in een doorzonhuis in Noord-Brabant. Nu, een eenoudergezin in quarantaine. Elin keek naar de gedaante van haar treurende vader, zag dat hij zijn kleren aan had.
“Ben je al opgestaan, pap?” vroeg ze.
“Nee, lieverd, nog niet.”