Lijn

Het felle tl-licht in de treincoupé versterkt de verduistering buiten, in de weilanden waar de geel-blauwe banaan door het late avonduur tjoekt. Vanuit een willekeurige plek aan de hemel moet het er uit zien als een vuurvliegje dat een gebaand pad volgt, een directe lijn van A naar B. Maar een rechtstreekse verbinding tussen A en B is er alleen als je vanaf een specifiek station in A reist, bijvoorbeeld vanaf C of M. Ieder geval niet vanaf H. En dat terwijl H belangrijk is.

In tijden van corona zijn er weinig directe verbindingen. Of ieder geval veel minder frequente. Behalve misschien tussen familieleden. In de duisternis van noodverordeningen en – maatregelen reizen weinigen met de trein. De conductrice zit in haar hokje, leest een tijdschrift, drinkt water met koffiesmaak. Het heeft weinig zin de ronde te doen. Of zij heeft weinig zin haar ronde te doen. Misschien zitten er 10 mensen in de hele trein. Misschien zit er één zwartrijder tussen, misschien geen. Liever leest zij een damesblad, met koddige interviews met onbelangrijke bekenden, dan dat zij op haar telefoon door paniekerige nieuwsberichten scrolt. Scrollen. Een goed Engels woord voor een universele bezigheid in deze tijden van informatiediarree. Toch is het voor velen lastig om weg te blijven van de dagelijkse stortvloed aan getallen, indicaties, prognoses. De mens denkt informatie te willen zodat het de regie kan nemen. Regie over zijn emoties, zijn angst. Althans, in die illusie verkeren mensen al sinds mensenheugenis. Dat beschikken over meer informatie altijd leidt tot meer regie en minder angst. Denkfout van ons brein. 

Het aantal doden is bijna even groot als dat in Italië een paar weken terug. De intelligente lockdown vereist dat mensen zoveel mogelijk thuis blijven en vanuit huis werken. Men dient anderhalve meter afstand te houden van elkaar en samenscholing met meer dan twee mensen die niet van hetzelfde huishouden zijn is onwenselijk. Scholen, kinderdagverblijven, universiteiten, restaurants en kantoorpanden zijn leeg. Het publieke leven ligt op zijn gat. Allemaal in de hoop de verspreiding van het virus te doen laten afremmen, plat te leggen. Hoewel de treinen en bussen nog rijden, doen zij dat met aangepaste dienstregeling. De trein van A naar B ook. Met een aangepaste regeling. En nog zit er bijna geen levend wezen in de trein.

In B staat een groot huis met dito tuin. De pensionado’s die er wonen zijn op dit moment niet thuis. Op veel andere momenten zijn ze wel thuis geweest. Ruim veertig jaar aan momenten zijn ze thuis geweest, waarvan plusminus twintig met kinderen. Tegenwoordig vaak met kleinkinderen. Kruipende, stommelende, omlazerende kindertjes met snotneuzen en hoge stemmen domineren dikwijls de beleving van de groene achtertuin. Opa heeft een schommel aan een boomtak gehangen. In de zomer staat er een opblaasbaar kinderbadje waarin geklotst en gezwommen kan worden. Maar de afgelopen weken zijn er even geen kinderen of kleinkinderen. De lockdown verhindert niet-noodzakelijk bezoek. Toch is er verbinding mogelijk. Opa’s en oma’s in het hele land hebben leren videobellen, zodat ze hun nageslacht nog kunnen zien en horen. Chaotische beeldgesprekken tussen mensen met beperkte aandachtsspannes aan beide kanten van het scherm. Ouderen in villa’s bellen beeld met hun nakomelingen in kleine, volle, drukke doorzonwoningen. De vormen van communicatie van een maatschappij geïsoleerd in zichzelf worden ingegeven en bepaald door angst voor een virus even ongrijpbaar als zijn eigen oorsprong. Was het een vleermuis of een schubdier op het bord van een argeloze Chinees of toch een lek uit een viruslab, dat aan de basis van de globale pandemie lag? De meningen zijn verdeeld.

Een trein is op weg naar huis. Weg van een ziekenhuis in partiële quarantaine. Traag door het donkere niets kruipend, verstild in zijn eigen licht. Net als een nachttrein bijna vijftig jaar eerder, door de donkere Alpen. Door gitzwarte Alpentunnels, omgeven door witte bergen die pas bij het ochtendgloren goed zichtbaar werden, wanneer de slaperige passagiers uit de ramen van hun coupés keken. Toen pensionado’s uit B nog verliefde twintigers waren, met hun vrijheid op reis. Met een goedkoop treinpasje Europa door, even weg van studie en andere verplichtingen, de tassen vol met kleren en boeken en wijn. De kinderen zouden pas bijna tien jaar later komen. Geboren worden bij twee mensen met vaste, goed betalende banen. Twee dochters, twee jaar leeftijdsverschil, groeiden op in groene weelde in een dorp, gingen naar school met blauw bloedende hockeyvriendinnetjes en – vriendjes en reisden met hun ouders de wereld over. Op hun 18e vertrokken ze uit B. Om te studeren in grotere steden. De oudste vertrok naar Nijmegen, de jongste, toen het haar beurt was, naar Utrecht. De oudste werd psycholoog, de jongste jurist. 

De lockdown duurt te lang maar een andere oplossing lijkt niet voorhanden, in afwezigheid van een vaccin. De wereld in isolement, in bezinning over de waarde van het leven. Politieke leiders geven kleur en identiteit aan hun publieke functie door de manier waarop ze omgaan met een wijdverspreid letaal virus. De mate van kundigheid en geschiktheid voor het besturen van een bedreigde gemeenschap wordt blootgelegd voor de miljoenen ogen die aan schermen gekluisterd zitten. Lofzangen en kritieken wisselen elkaar in duizelingwekkend tempo af, terwijl buiten de lucht schoner en minder geroerd is dan ooit tevoren in het moderne tijdperk. De tijd zal leren welke koppen er gaan rollen en welke herverkozen worden in de komende verkiezingen. Welke politieke of ideologische lijn ingezet zal worden als het stof van de epidemie is gaan liggen en de bezinningen ten einde zijn. 

Dochters uit B wonen met hun jonge gezinnen in A. Op loopafstand van elkaar, in kleine dure huisjes. In gewone tijden lopen ze de deur niet bij elkaar plat maar gaan regelmatig genoeg bij elkaar op bezoek. De kinderen spelen, de volwassenen praten. Over hypotheeklasten en kinderdagverblijfkosten. Over Griekse eilanden die overspoeld worden met vluchtelingen. Over het narcisme van wereldleiders en de psychopathie van kapitalistische economieën. Luchtige gesprekken voor mensen wier primaire levensbehoeften verder geëvolueerd lijken van de behoefte aan onderdak, voedsel en drinkwater en wier afstand tot de noodlijdende thematieken van gemeenschappen die in brand staan groot genoeg is. Alleen die hypotheeklasten. Die zijn pittig als je in A woont in een klein, duur huis met uitzicht op karakteristieke grachten en huizen met guitige gevels. 

Een geel-blauwe banaan dommelt voort door traag laagland. In de voorste coupé verroert zich geen vin. Groene stoelen en banken verzuipen in het overdadige licht. De vloer is er niet plakkerig, zoals hij dat dikwijls wel is geweest. De prullenbakjes zijn leeg en schoon, evenals de tafeltjes. De ramen zijn zwarte gaten waardoor het leven in een oogwenk ontglipt. De bossen nabij B zijn haast onzichtbaar voor de weinige inzittenden van de trein. Vanuit hun duistere stilte is het interieur van de vuurvlieg goed waarneembaar. Een enkele passagier heeft zijn hoofd tegen het raam, een andere slaapt en een derde kijkt naar haar schoot, ter hoogte waarvan waarschijnlijk een telefoon vastgehouden en bescrold wordt. 

Op een willekeurige lenteavond missen alle huizen van een familie een matriarch. De jonge moeders zijn weer dochter bij de hoofdingang van een ziekenhuis in partiële quarantaine. Dochters van een oude vader op een bankje, dochters van een moeder in een bed waar ze niet bij mogen. Zo dichtbij mogelijk als het kan dineren drie angstige mensen in een ziekenhuisrestaurant, terwijl ze praten over een zieke vrouw in een bed een paar verdiepingen boven ze. De opname moest in A. Bij station H. In B was er geen plek en het moest acuut. Het begon als een gewone griep, met keelpijn en algehele malaise. Op zichzelf niets bijzonders. Vervelend, maar niet bijzonder. Zelfs niet toen de koorts kwam. Hij kwam op en verdween weer. Maar toen keerde hij terug, heviger dan ervoor, vergezeld van benauwdheid. Toen gingen de alarmbellen rinkelen in een huis in B. Ademhalingsproblemen volgden snel en opname op een speciale intensive care-afdeling was noodzakelijk. Nu ligt oma aan de beademing, geisoleerd, alleen, in het vagevuur, wachtend op uitsluitsel.

Wachten is wat moet. De gemeenschap in lockdown wacht op strohalmen uit beleidshoofdkwartieren. Op deskundigen die zeggen dat het onder controle is. Of dat er een vaccin is. Wachten op tekenen aan de wand dat het beter zal gaan. Wachten op verlossing. Een gezin uit B wacht ook. Op dalende koorts, op verbeterde saturatie van het bloed, op een twinkeling in de ogen van hun geliefde vrouw en moeder. 

Wetenschappers rekenen epidemiologische modellen door en melden weinig hoopgevende voorspellingen. Artsen in de frontlinies van de oorlog geven interviews in kranten waarin ze verwachtingen temperen. Dit virus blijft nog even onder de mensen. Toch worden langzaamaan de krantenkoppen minder dreigend en minder tendentieus. Een lichte daling in landelijke opnames, minder zieken en minder doden dan voorgaande weken geven enige hoop. Maar beleidsmakers waarschuwen, proberen hun ernst vast te houden. We moeten nu niet verslappen en te licht gaan denken over de situatie. Dan grijpt het virus zijn kans en zaait hij infectie om zich heen. We moeten voorzichtig blijven en niet te snel terug willen naar normaal. Alsof dat nog kan. De wereldgezondheid heeft een ongelofelijke tik gehad, de wereldeconomie idem. Het herstel van dit natuurlijke geweld en de opgelegde consequenties die het kreeg zal jaren, decennia duren. En zelfs dan zal de wereld nooit meer hetzelfde zijn, zeggen deskundigen in praatprogramma’s en kranten. Gitzwart is de toekomst, meent het Internationale Monetaire Fonds. De onvermijdelijke economische depressie die zal volgen kent slechts haar gelijke in die van de jaren dertig, na de beurskrach van 1929. Voor tienduizenden mensen maakt dit allemaal niet meer uit. Zij zullen de duistere toekomst niet meer  voelen.

De passagiers van een bananige vuurvlieg zijn verstild in hun reis voorbij B. Niemand stapt er uit, in B. De sprinter sjokt voort in het avonddonker. In de eerste coupé verroert zich geen vin. De conductrice loopt met trage tred langs de stoelen en banken. Bij het laatste viertje staat ze stil. Haar gezicht verschiet van kleur en haar hartslag gaat omhoog. Daar ligt hij, onderuitgezakt over een stoel, met zijn rug naar de rijrichting, zijn lange benen diagonaal kruisend tegen de stoelen tegenover hem. Met zijn hoofd leunt hij tegen het zwarte gat waardoor het leven verdwijnt. Zijn mond en ogen zijn open maar de borst gaat niet op en neer. In zijn op de naastgelegen stoel rustende linkerhand heeft hij zijn telefoon. Er is verbinding, een lijn. Er klinkt een jonge, hoge vrouwenstem. “Pap, ben je daar nog? Hoorde je wat ik zei? Mama is dood.” 

De Alpenlucht van weleer gaf leven aan dromen en verwachtingen. Aan onbezonnen de toekomst in stappen, met half uitgedachte plannen waarin zuurstoftekort niet voorkwam. Die toekomst is geleefd, in het heden. Een continue aaneenschakeling van gebeurtenissen en belevingen in het heden. Er is alleen het heden, de toekomst en het verleden contructies van onze fantasie. Ficties van de geest. Alleen het hier en nu is wat waarde heeft. Tot je het aanraakt. Want ook het heden kun je niet helemaal grijpen. Zodra je het grijpt is het weg. Een lijn wordt een punt. En dan is het weer leegte, net als al het andere. Leegte ingekleurd door fantasie.

Plaats een reactie