Het uit Sheffield afkomstige 65daysofstatic bracht onlangs een nieuw muzikaal meesterwerk uit, getiteld Replicr, 2019. Een van de absolute highlights van dit album is het nummer Interference_1. Waartoe de underscore en de ‘1’ dienen weet ik niet. Misschien was het bij de eerste jam meteen raak en lieten ze het zo. Of er is een meer romantische verklaring voor de curieuze toevoeging van ‘_1’. In ieder geval neemt het muziekstuk, net als de rest van de bijeengebrachte composities op het album, de luisteraar mee in een digitale en elektronische soundscape, waar de gelaagdheid en vermenging van muzikale kleuren bedwelmend werken op de gewillige geest.
Ik wilde verder nadenken over de titel. In de natuurkunde wordt interferentie gedefinieerd als het samenwerken of tegen elkaar in gaan van golven, op hetzelfde moment en op dezelfde plaats. Dat kunnen bijvoorbeeld geluidsgolven, watergolven en elektromagnetische golven zijn. Golven kunnen in fase of in tegenfase zijn en elkaar respectievelijk versterken dan wel uitdoven en van alles daar tussenin doen. Ik neem aan dat de door 65days gebezigde interferentie betrekking heeft op elkaar versterkende of tegen elkaar ingaande geluidsgolven, die de composities kleur geven. Hoewel het wellicht een grote stap is van de analyse van interfererende geluidsgolven naar een meer metafysische beschouwing van interferentiepatronen in het heelal kon ik niet anders dan in de kalme – hier en daar ruizige – opbouw van het nummer een analogie te trekken met de kalme doch ruizige voltrekkingen van gebeurtenissen op universele schaal. De eerste paar minuten van Interference_1 is er sprake van een relatief egaal geluidenpalet dat plots onderbroken wordt – of liever gezegd een extra laag krijgt – door tonen van een andere intensiteit en frequentie. Een interferentie. Ik zag daarin het kalme voortploegen van een onverstoorbaar universum dat plots een kleine maar significante opschudding voelt in haar onderbuik, de aanwezigheid van een ontwikkeling, van een beschaving in wording maar ook de uiteindelijke neergang van die beschaving.
Hoewel het een vluchtige, niet door rede of wiskundige analyse maar door emotie ingegeven, symbolische, fantasie was, bleef er iets hangen in mijn gedachten van het gegeven dat overal in de natuur, op welke schaal dan ook, interferentiepatronen te vinden zijn. Zou je de ontwikkeling en onvermijdelijke ondergang van de mensheid in een afwisselend stil en ruizig universum inderdaad niet ook kunnen zien als een kleine interferentie? Een tegen de heersende golving van alles wat suist in het heelal ingaande storing. Op zichzelf betekenisloos wellicht, op die schaal, in de onverschilligheid van de duisternis om ons heen, maar een storing niettemin. Is immers niet alles wat tastbaar, wezenlijk, direct is het resultaat van een of meerdere interferentiepatronen van verschillende soorten golven? Zo ook in een mensenleven, waar het een en al ruis en interferentie is. Zowel fysiek, concreet, als meer abstract. Slecht opgestelde geluidsbronnen verschillen in fase waardoor de muziek uitgedoofd wordt. Mensen botsen, werken samen, versterken of verzwakken elkaar. Ideeën botsen, werken samen, versterken of verzwakken elkaar. Metafysische wil in versterking of botsing met zichzelf. In cycli, want wat is het leven meer dan naast elkaar bestaande en soms deels overlappende cycli van zichzelf herhalende gebeurtenissen, van zichzelf herhalende interferentiepatronen? De levenslopen van de muizen achter mijn fornuis, met hun gebroed en stank, overlappen met die van mij en mijn kinderen maar zijn van kortere duur. De levensloop van een gemiddelde Afrikaanse dwergpapegaai is doorgaans korter dan die van een mens terwijl de levenslopen van opeenvolgende ontwikkelingen en neergangen van beschavingen – van duizelingwekkende aantallen mensenlevens – nog altijd korter is dan het bestaan van het heelal dat zij verkennen.
Misschien zal het universum wel nooit eindigen en is het slechts een heel groot vat waarin interferenties van verschillende schaalgroottes in de oneindigheid komen en gaan. De vraag rijst dan voor ons wat betekenis geeft in een mensenleven, in de relatieve betekenisloosheid van ons collectieve bestaan, in het licht van de grotere overkoepelende structuren en gebeurtenissen. De Duitse psychoanalyticus Carl Jung schreeft ergens dat, voorzover wij kunnen afleiden, het enige doel van het menselijk bestaan is om een licht van betekenis aan te wakkeren in de duisternis van het ordinaire zijn. Maar wat geeft ons dan betekenis? Voor mij is dat onder andere muziek luisteren. Muziek voelen. Muziek die me in vervoering brengt en me doet schudden op mijn grondvesten. Muziek die mijn gedachten over het bestaan en mijn bestaansrecht doen aanwakkeren. Muziek die me doet denken aan de levensloop van mijn kinderen. Met hun tweeën het meest ingrijpende en betekenisvolle interferentiepatroon van allemaal.