Synthese

Tijdens zijn leven werd de Argentijnse auteur Jorge Luis Borges vereerd, gehaat en genegeerd. Ongeacht de persoonlijke voorkeuren van de man, voor zover bekend en vastgelegd, kan men stellen dat er over zijn literaire nalatenschap in vele kleurtonen veel te doen is geweest.

Neem bijvoorbeeld één van zijn meer bekende verhalen: De Bibliotheek van Babel. Het is een fantastisch verhaal, in iedere betekenis van dat woord, fantastisch. De bibliotheek, als metafoor voor het heelal, blijkt een archief aan verschillende geschiedenissen en werkelijkheden te herbergen. De argeloze lezer wordt geconfronteerd met een reeks aan variërende realiteiten en waarheden, die als een warme gloed uit de diepte, door het midden van de imaginaire bibliotheek, omhoog rijst en zijn weg zoekt naar het hart van de kilte van ons universum. De precieze, wiskundige begrenzing van de vorm van de bibliotheek en diens boekenplanken en hun inhoud – de boeken bevatten een precies aantal letterkundige symbolen die in alle mogelijke combinaties zijn weergegeven in verschillende uitgaven – samen met het gegeven dat de bibliotheek zelf oneindig lijkt, roept beelden op van het idee van de eeuwige wederkeer. Dit idee is voorheen in vele hoedanigheden beschreven, onder andere door de 19e-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche. Het concept van de eeuwige wederkeer is dat wanneer oneindige tijd maar een eindige set zichzelf continu herschikkende elementen waaruit organismen, gedrag, omstandigheden, gebeurtenissen, symbolen, verhalen (kortom: alles) bestaan gegeven zijn, alles wat ooit is geweest weer voorbij zal komen. In het nadenken daarover kan men beseffen dat verschillende versies van de werkelijkheid op ieder moment simultaan beschikbaar zijn om uitgespeeld te worden, en dat die zich uiteindelijk allemaal zullen herhalen. Een soortgelijke realisatie kan de lezer hebben op de groene paden van Borges’ geroemde Tuin met Zich Splitsende Paden, waar meerdere gebeurtenissen, donker of licht, luid of stil, lang of kort, zich hadden kunnen afwikkelen. De haast onmogelijk lijkende mogelijkheid van het uiteindelijke plot ontleent zijn geloofwaardigheid aan juist die premisse van de eeuwige wederkeer, waar meerdere werkelijkheden zich hadden kunnen afspelen en het verhaal bijna iedere mogelijke wending uit de verbeelding had kunnen nemen. In het verhaal verlicht het donker van de gestorven zon die realiteit, wanneer het onzichtbare gekrioel van wat had kunnen zijn zichtbaar wordt voor de hoofdpersoon.

Wanneer oneindige tijd maar een begrensd aantal bouwstenen gegeven zijn, is herhaling van zetten absoluut. Maar of het idee van de eeuwige wederkeer natuurwetenschappelijk houdbaar is valt te betwisten. Het lijkt uit te gaan van een conserveerbare set van bouwstenen of energieën die zich placht te herhalen, terwijl men zich kan afvragen of in een ondoorgrondelijk universum als het onze een dergelijke inflexibiliteit wel reëel is. Is het niet, zoals eerder opgemerkt, een komen en gaan van stoffen, door de tijd heen, dat exacte replicatie van werkelijkheden kan bemoeilijken?

Of het aantal bouwstenen in ons universum nou vast ligt of niet, we weten dat werkelijkheden subtiele verschillen kunnen laten zien en anders aanvoelen, ondanks overeenkomstige en overeenkomstig gerangschikte elementen. En hoewel er wel degelijk een herhaling van gebeurtenissen denkbaar is kunnen die in kleine nuances verschillen van die uit het verleden en daarmee tegelijkertijd bekend en nieuw aanvoelen. Dit laatste is evident in een ander Borgesverhaal, Pierre Menard, Auteur van de Quichot, waar de beleving van hetzelfde kunstwerk door de tijd heen veranderlijk blijkt. De waardering en betekenis van een kunstwerk, hetzij een schilderij, hetzij een verhaal in boekvorm, zijn afhankelijk van de context en wellicht ook het collectieve bewustzijn van een volk in een bepaald moment in de tijd of geschiedenis waarin het kunstwerk beleeft wordt. De Quichot kan een totaal andere significantie of betekenis hebben in het heden dan in de tijd waarin het eerst uitgegeven is, ook al is het boek letter voor letter hetzelfde. De context en achtergrond die het betekenis geven zijn veranderlijk. En samen met het werk zelf onderdeel en variant van een kneedbare werkelijkheid. Of dat nu het resultaat is van een reorganisatie van bestaande of deels bestaande, deels nieuwe elementen is wellicht irrelevant.

Die kneedbare en veranderlijke werkelijkheid kan gevoelens van stabiliteit en zekerheid, die wij mensen zo belangrijk lijken te vinden, ondermijnen. Voorbeelden daarvan zijn naast de literatuur ook in de muziekkunst te vinden. Neem bijvoorbeeld de uit Rochdale (nabij Manchester) afkomstige muziekgroep Autechre, die zich hoofdzakelijk manifesteert in het cultgevolg dat het aantrekt. Ik stel me anonieme geesten in zolderkamertjes voor die het dissonante maar warme mechanische kleurenpalet van dit Britse elektronische experiment ontleden, weer assembleren, terugzetten en eindeloos herbeleven, waarschijnlijk iedere keer net anders dan de keer ervoor. Zelden berust een nummer van dit duo op een gangbare of toegankelijke ritmische basis die de luisteraar binnentrekt. Het is instabiele grond waarop de luisteraar wordt verleid dieper te luisteren. Naar de warmte achter de instabiliteit. En daar de basis te vinden. Voor zolang die duurt. Want iedere luisteraar moet zich op een bepaald moment tijdens het luisteren en zoeken naar vaste grond verraden hebben gevoeld toen de realiteit die tot voor kort enige zekerheid bood ophield te bestaan, wanneer het ritme en de melodie weer van verzadiging of diepte veranderden en de luisteraar genoodzaakt werd opnieuw naar zekering te zoeken.

De enige waarheid die beklijft in het werk van Autechre en Borges is dat de werkelijkheid veelzijdig en flexibel is. Alles verandert continu maar die veranderlijke aard van de dingen is voor mensen lastig. Mensen lijken stabiliteit en zekerheid te zoeken en daarmee ook de eigen vaste waarheid en realiteit. Om het zelf ergens aan te verbinden. En daarmee wellicht ook wel de rechtvaardiging van het eigen bestaan te veroorzaken. Want wie stabiliteit en zekerheid vindt kan zichzelf aarden en de gronden van zijn of haar bestaan claimen. Maar hoe stabiel en zeker kan iets zijn, in de duisternis van een onverschillig maar suggestibel universum, die meerdere waarheden en werkelijkheden omvat, waar datgene wat men niet ontwaart, maakt of beleeft het enige tastbare is, omdat dat altijd blijft, als enige constante? Waar die vereenzelviging van de huidige werkelijkheid met de veelheid aan mogelijkheden van datgene wat niet waargenomen, gemaakt of ervaren wordt misschien wel één van de basisvoorwaarden is voor al onze uitingen. Het gegeven van een onuitputtelijke en ondoorzichtige bron van alternatieven als basis voor onze blinde, schopenhaueriaanse wil tot leven. Het leven dat wil kruipen waar het zomerrood van een andere onbekende en onvoorspelbare realiteit lonkt. Het leven waarin iedere werkelijkheid de vluchtige vorm van veranderlijkheid heeft, juist vanwege de simultaan aanwezige subtiel en minder subtiel verschillende alternatieve versies ervan? De werkelijkheid die daardoor totaal overbodig wordt om na te jagen. Omdat hij op zichzelf niet bestaat, hoe kleurrijk ook.

Plaats een reactie