Onrust

Op mijn nachtkastje ligt al enige tijd Het Boek der Rusteloosheid, van de postuum bekend geworden Portugese dichter Fernando Pessoa. Het boek is een bundeling van prozateksten, geschreven over een periode van vele jaren, die na het overlijden van de auteur aangetroffen werden in een vergeten kist. Ze beschrijven het bestaan van Bernardo Soares, het alter ego van de auteur, een eenzame klerk in Lissabon die zijn tijd verdeelt tussen het kantoor waar hij werkt en zijn appartement. Beide zijn aan de Rua dos Douradores, centraal gelegen in de winkelwijk Baixa.

Terwijl Soares zijn dagen slijt onder de tirannie van zijn baas nemen zijn gedachten de vrije loop, zijn geest daarbij ontvlamd door onrust. Met zijn op dichterlijke wijze neergepende observaties voert Pessoa zijn lezers door de straten van Lissabon en zijn eigen hoofd. Hoewel melancholie en wanhoop de pagina’s kleuren, wordt ook de romantiek van zijn belevingswereld duidelijk, evenals zijn liefde voor de stad die hij zelden verliet. De stad waar hij zijn onrust liet zwerven over de straatstenen en door de huizen, taveernes en kantoorruimtes.

In een mensenleven kan het noodzakelijke haast niet zonder het vrije of vrijwillige bestaan. Die vrijheid van gedachten waarover de meesten van ons kunnen beschikken. Althans, die relatieve vrijheid, want of de samenlevende, werkende, scheppende en vernietigende mens werkelijk vrij is in zijn wilsuitingen en gedachten valt te betwisten. Dostojevski schreef in Aantekeningen uit het Dodenhuis dat een mens volledig te vernietigen is door hem werk te geven van een volstrekt nutteloos en irrationeel karakter. Echter, het was Dostojevski zijn eigen verbeeldingskracht dat hem, geketend in een Siberisch werkkamp, op de been hield. Soares sleept zich dagelijks naar kantoor om gebogen over getallen te lijden aan de noodzakelijkheid en leegte van zijn werkzaamheden. Maar zijn hoofd is in beweging, met op hol geslagen verbeeldingskracht, hoe melancholisch ook, die soelaas biedt – die zijn onrust voedt maar tegelijkertijd ook zijn relatieve vrijheid benadrukt. Die vrijheid van gedachten die ons in staat stelt te kunnen dissociëren van wat wij niet willen weten of voelen. Wat er niet moet zijn.

Al langere tijd haal ik geen inspiratie meer uit het project waar ik mijzelf aan verbonden heb. Ik zou natuurlijk het roer om kunnen gooien en wat anders kunnen gaan doen maar weerhoud mijzelf daar toch van. Dat is niet uit ijdelheid of misplaatste discipline. De reden is – denk ik – dat staken met een onderneming, zonder het tot een goed einde te brengen, een beetje voelt als voortijdig sterven, vanwege de wezenlijke geestelijke en emotionele investering die er mee gemoeid is geweest om tot hier te komen. Het zou de tijd en frustratie die het tot nu toe gekost heeft waardeloos maken. En daar wil ik niet aan, hoezeer dat mij ook ketent.

Wie vandaag de dag door de Rua dos Douradoures wandelt, of door de kronkelstraatjes van Alfama, de wijk beroemd vanwege de fadogeschiedenis die het huisvest, ziet de verf afbladeren van de muren van eeuwenoude gebouwen waarachter het leven vloeit en bloeit. Muren die amateuristisch roze, groen, rood of blauw zijn geverfd, in de felheid van kleur die alleen maar in Mediterrane of Latijns-Amerikaanse streken geaccepteerd wordt. Hier spat de literatuur van de wanden en ramen, die vibreren met de verhalen van drama en vreugde die deze stad rijk moet zijn. In een poging de hordes toeristen te omzeilen slenter ik door de aanvankelijk minst aantrekkelijk uitziende steegjes, in de hoop te stuiten op juweeltjes van sfeer en authenticiteit die even alleen voor mij zijn. Met geluk kan men zo de Largo da Severa treffen, een pittoresk pleintje omringd door gammele gebouwtjes met uitgehangen was over balkonnetjes en waslijnen. Het plein is vernoemd naar Maria Severa Onofriana, de legendarische 19e-eeuwse fadozangeres. Op de muren zijn foto’s afgebeeld van zowel overleden als nog levende fadobeoefenaars. Ogenblikkelijk is duidelijk dat dit het hart van de Fado en daarom misschien wel van Lissabon is. Ingeklemd tussen de grote wegen waar vrachtwagens, bussen, auto’s en trams razen, is het plein een oase van rust, waar je de kleur en emotie van leven kan overdenken en voelen.

De stad die de thuisbasis was voor het gekwelde en getalenteerde hoofd van Pessoa is voor mij een stad van verbeelding, waar mijn hoofd kan doorwaaien en niet hoeft te denken aan iets dat moet. Waar ik vervreemd en onafhankelijk van een omgeving die mijn blauwdruk niet heeft kan schuimen – ongeremd doordat de vertrouwde context ontbreekt. Een omgeving die ik mij eigen wil maken, zodat ik er tijdelijk kan aarden en ontsnappen aan de onrust waar ik thuis nog geen plek voor gevonden heb, diezelfde onrust die Pessoa liet dissociëren boven zijn register en waarmee hij vocht tegen de nutteloosheid van zijn taak, in het licht van het besef van wat een mens allemaal verder nog is, behalve een werktuig.

Gelukkig heb ik ook thuis altijd nog mijn gedachten.

Die tot op zekere hoogte vrij zijn.

Plaats een reactie